ECLI:NL:RBAMS:2002:AE8560
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beleid Raad voor Rechtsbijstand inzake toevoeging voor rechtsbijstand voorafgaand aan vervolging in overeenstemming met artikel 6 EVRM
Eiser, van Turkse afkomst en met beperkte Nederlandse taalvaardigheid, verzocht om toevoeging voor rechtsbijstand voorafgaand en tijdens een verhoor door de opsporingsdienst van het Sociaal Fonds Bouwnijverheid wegens verdenking van fraude met zijn WAO-uitkering. De Raad voor Rechtsbijstand wees dit verzoek af op grond van het beleid dat toevoeging in strafzaken in beginsel pas wordt verleend nadat een vervolging is aangevangen en de verdachte ter terechtzitting wordt gedagvaard.
Eiser stelde dat dit beleid in strijd is met het recht op rechtsbijstand zoals verankerd in artikel 6 EVRM Pro, verwijzend naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), met name de arresten Magee en Brennan. De rechtbank overwoog dat artikel 6 EVRM Pro alleen van toepassing is bij een vervolging, welke wordt gedefinieerd als een officiële mededeling van verdenking die de situatie van de betrokkene substantieel treft.
De rechtbank oordeelde dat het beleid van de Raad voor Rechtsbijstand de beleidsruimte niet overschrijdt en dat de omstandigheden van eiser geen bijzondere situatie vormen die een toevoeging in een eerder stadium rechtvaardigen. Tevens is er geen sprake van intimidatie of een situatie waarin eiser geen juridisch advies kon inwinnen. Het beleid is daarmee in overeenstemming met artikel 6 EVRM Pro en de jurisprudentie van het EHRM, die bijstand tijdens politieverhoren afhankelijk stelt van de omstandigheden van het geval.
Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit van de Raad voor Rechtsbijstand bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van toevoeging voor rechtsbijstand voorafgaand aan vervolging wordt ongegrond verklaard.