ECLI:NL:RBAMS:2002:AF0587
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- B.J.L.M. van Dijk
- A.M. van der Pal
- M.S. van der Kuijl
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs en niet-ontvankelijkheid niet toegewezen ondanks schending redelijke termijn en detentieomstandigheden
De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van oplichting met een frauduleuze overboeking van 4 miljoen dollar op zijn Bulgaarse bankrekening. Verdachte verbleef ruim 15 maanden in uitleveringsdetentie in Bulgarije onder omstandigheden die mogelijk in strijd zijn met artikel 3 EVRM Pro.
De verdediging voerde meerdere verweren aan, waaronder het specialiteitsbeginsel vanwege onduidelijkheid over uitlevering, grove schending van rechten door onmenselijke detentieomstandigheden en overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De rechtbank erkende de schendingen maar oordeelde dat deze niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, wel dienen zij te worden meegewogen bij de strafoplegging.
Ten aanzien van het bewijs concludeerde de rechtbank dat verdachte onvoldoende bewijsbaar medepleger was van oplichting en sprak hem vrij. De behandeling van de zaak vond plaats na meerdere terechtzittingen tussen september en oktober 2002, en het vonnis werd uitgesproken op 14 november 2002.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs en niet-ontvankelijkheid wordt afgewezen ondanks schendingen van redelijke termijn en detentieomstandigheden.