ECLI:NL:RBAMS:2003:AF2863
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.W.P. Letschert
- Rechtspraak.nl
Geen referendum over besluit aanleg Noord-Zuidlijn vanwege eerdere besluitvorming
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van de gemeenteraad van Amsterdam van 9 oktober 2002, waarin werd vastgesteld dat voldoende duidelijkheid bestond over de financiële gevolgen van de aanleg van de Noord-Zuidlijn en besloten werd tot uitvoering. Verzoekers stelden dat dit een nieuwe besluitvorming betrof die een nieuw referendum rechtvaardigde, mede vanwege gewijzigde financiële onderbouwing.
De voorzieningenrechter stelde vast dat in 1997 reeds een referendum was gehouden over het raadsbesluit van 27 november 1996, waarin de aanleg van de Noord-Zuidlijn werd goedgekeurd onder het voorbehoud van technische en financiële haalbaarheid. Het besluit van 9 oktober 2002 bouwt voort op dit eerdere besluit en betreft geen volledige heroverweging.
Verder oordeelde de rechter dat de gemeenteraad ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het bepalen of een besluit onder de uitzonderingen van de Referendumverordening valt, waaronder spoedeisende gemeentelijke belangen die uitstel van uitvoering onmogelijk maken. De ondertekening van clustercontracten en de voorbereiding van de aanleg rechtvaardigen het oordeel dat uitstel tot aanzienlijke kostenstijging en onzekerheid zou leiden.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening af en oordeelde dat het advies van de Referendum advies- en klachtencommissie voldoende zorgvuldig tot stand was gekomen. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit tot uitvoering van de Noord-Zuidlijn wordt afgewezen.