ECLI:NL:RBAMS:2003:AF6348

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 februari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
13/037454-02
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 SrArt. 57 SrArt. 157 SrArt. 13 WWMArt. 14 WWM
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor wapensmokkel en voorbereiding brandstichting Amerikaans consulaat

De rechtbank Amsterdam heeft op 25 februari 2003 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het smokkelen van wapens en het voorbereiden van een aanslag op het Amerikaanse consulaat.

De rechtbank oordeelde dat het niet wettig en overtuigend bewezen was dat verdachte daadwerkelijk had geprobeerd het consulaat in brand te steken met de gebruikte middelen, omdat deze ondeugdelijk waren en geen brand konden veroorzaken. Wel werd bewezen dat verdachte in de periode van 22 tot 26 juni 2002 in Nederland een niet-opvouwbaar mes, een gaspistool met munitie en een noodsignaalmiddel had binnengebracht en deze wapens en munitie in bezit had.

Daarnaast werd vastgesteld dat verdachte voorbereidingen had getroffen voor het plegen van brandstichting en/of een ontploffing, waaronder het verwerven van bescheiden over de constructie van een krachtige bom. Verdachte had de intentie om een aanslag te plegen op het Amerikaanse consulaat, wat de rechtbank als buitengewoon ernstig beschouwde.

De rechtbank hield rekening met de eerdere veroordeling van verdachte voor een wapendelict en legde een gevangenisstraf van 15 maanden op, waarbij de tijd in voorlopige hechtenis in mindering werd gebracht.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf voor wapensmokkel en voorbereiding van brandstichting en ontploffing bij het Amerikaanse consulaat.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: [nummer]
Datum uitspraak: 25 februari 2003
op tegenspraak
VERKORT VONNIS
van de rechtbank Amsterdam, 5de meervoudige kamer A, in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboortedatum],
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het Huis van Bewaring [adres]
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 februari 2003.
1. Telastelegging.
Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.
2. Voorvragen.
3. Waardering van het bewijs.
3.1. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 3 is telastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
De rechtbank neemt hierbij in overweging, dat de middelen die verdachte gebruikte bij zijn poging om het Amerikaanse consulaat in brand te steken, te weten 2 lichtkogels en een noodsignaalmiddel, absoluut ondeugdelijk zijn. De rechtbank is van oordeel, dat met gebruikmaking van de hiervoor genoemde middelen, het nimmer tot een brand in het consulaat had kunnen leiden, zelfs niet als het noodsignaalmiddel of een van de lichtkogels tegen het consulaat was aangekomen.
3.2. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte,
ten aanzien van het onder 1. telastegelegde:
in de periode van 22 juni 2002 tot en met 26 juni 2002 in Nederland een wapen van categorie I, te weten een niet opvouwbaar mes, en wapens van categorie III, te weten een gaspistool (met opschrift Colt) en een noodsignaalmiddel, en munitie van categorie III, te weten 67 knalpatronen (kaliber 9 mm), heeft doen binnenkomen,
ten aanzien van het onder 2. telastegelegde:
in de periode van 22 juni 2002 tot en met 26 juni 2002 te Amsterdam ter voorbereiding van het te plegen misdrijf, te weten het opzettelijk veroorzaken van een brand en/of een ontploffing (artikel 157 Wetboek Pro van Strafrecht), opzettelijk een gaspistool (met opschrift Colt) met bijbehorende munitie, en een noodsignaalmiddel met bijbehorende munitie, en bescheiden met betrekking tot de constructie en/of vervaardiging van een zeer krachtig explosief voorwerp kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en ingevoerd en voorhanden heeft gehad.
Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
4. Het bewijs.
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
5. De strafbaarheid van de feiten.
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straf.
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte is naar Nederland gekomen met de bedoeling een aanslag te plegen op het Amerikaans consulaat. Met het oog hierop heeft hij een mes, een gaspistool, een noodsignaalmiddel en 67 knalpatronen meegenomen en daarnaast bescheiden verzameld welke informatie dragen met betrekking tot het vervaardigen van een zeer krachtige bom. Deze feiten zijn buitengewoon ernstig en kunnen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en goederen meebrengen. De rechtbank heeft bovendien rekening gehouden met het feit dat verdachte reeds eerder ter zake van een wapendelict strafrechtelijk is veroordeeld.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften.
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 46, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, en op de artikelen 13, 14 en 55 van de Wet wapens en munitie.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
9. Beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en handelen in strijd met artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd, en handelen in strijd met artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Ten aanzien van feit 2:
Voorbereiden van opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.J.C. van Kamp, voorzitter,
mrs. J. Edgar en J.J. Molenaar, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. R. Hirzalla en J.V.M. Mol, griffiers
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 februari 2003.