1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten.
a. Het COA draagt op grond van de Regeling Verstrekkingen Asielzoekers en an-dere categorieën vreemdelingen 1997 (hierna Rva) zorg voor de centrale opvang van asielzoekers. De opvang door het COA omvat onder meer het verlenen van onder-dak in een opvangcentrum. In dit kader verblijft [gedaagde] in het Asiel Zoe-kers Centrum Crailo te Laren (hierna het AZC).
b. [gedaagde] stelt dat hij afkomstig is uit Algerije.
c. [gedaagde] is voor wat betreft zijn asielaanvraag uitgeprocedeerd. Op 15 maart 2000 zijn door de rechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Amsterdam, zijn aanvraag "toelating als vluchte-ling in Nederland" en zijn aanvraag "verle-ning van een vergunning tot verblijf" definitief afgewezen.
d. Op 30 maart 2000 heeft de IND een last tot uitzetting van [gedaagde] ver-strekt.
e. Op 6 juni 2000 heeft [gedaagde] aan de Regiopolitie Midden- en West Bra-bant, team vreemdelingenzorg en allochtonenbeleid, twee vliegtickets en zijn Algerijnse identiteitskaart ([nummer]) overhandigd.
f. Bij brief van 6 juni 2000 heeft de IND aan de Vreemdelingendienst Hilversum gemeld:
- dat op 6 juni 2000 [gedaagde] bij de Algerijnse ambassade is gepresen-teerd;
- dat de Algerijnse ambassade de Laisser Passer aanvraag van [gedaagde] in onderzoek genomen heeft en
- dat - zodra de IND antwoord van de ambassade heeft ontvangen - de Vreem-delingendienst Hilversum hierover bericht zal ontvangen van de IND.
g. Op 19 november 2002 heeft de IND met [gedaagde] een terugkeergesprek ge-voerd en is hij gewezen op de consequentie van het niet of onvoldoende mee-werken aan zijn terugkeer.
h. Bij brief van 29 november 2002 heeft de IND het COA bericht dat [gedaagde] niet (voldoende) meewerkt aan het verkrijgen van een (vervangend) reis- of identi-teitsbewijs dat nodig is om terug te keren naar zijn land van herkomst. Het COA is verzocht alle voorzieningen die [gedaagde] in het kader van de Rva ontvangt te beëindigen.
i. Op 24 december 2002 heeft het COA [gedaagde] gehoord op haar voorne-men de Rva voorzieningen te beëindigen. [gedaagde] heeft meegedeeld dat hij wel heeft meegewerkt aan zijn terugkeer naar zijn land van herkomst.
j. Op 14 januari 2003 heeft het COA [gedaagde] schriftelijk meegedeeld dat hij onvoldoende meewerkt aan terugkeer en dat het COA de Rva-voorzieningen beëin-digt. Op 20 februari 2003 is deze beschikking aan [gedaagde] uitge-reikt.
k. Op 18 maart 2003 is door [gedaagde] bij de Vreemdelingenkamer van de rechtbank Utrecht beroep ingesteld tegen de beëindigingsbeslissing van 14 ja-nuari 2003. Hij heeft connex de bestuursrechtelijke voorzieningenrechter ge-vraagd bij wege van voorlopige voorziening de rechtsgevolgen van de beëindi-gingsbeslissing van 14 januari 2003 te schorsen.
l. Bij aangetekende brief van 7 maart 2003 heeft de raadsvrouw van het COA [gedaagde] gesommeerd binnen 3 dagen na dagtekening van dat schrijven het AZC te verlaten.
m. [gedaagde] heeft aan de sommatie van het COA niet voldaan en verblijft thans nog in het AZC.