ECLI:NL:RBAMS:2003:AI1392
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- T.P.J. de Graaf
- J.F.A.M. Graafland
- T. van Peijpe
- Rechtspraak.nl
Intrekking voorwaardelijke toevoeging rechtsbijstand wegens vermeende overschrijding vermogen onterecht
Eiseres kreeg op 27 oktober 1998 een voorwaardelijke toevoeging voor rechtsbijstand in een geschil over huwelijkse voorwaarden. Na afloop van de zaak bleek dat zij een bedrag van ƒ17.500,- had ontvangen, waarna verweerder op 5 juli 2000 de toevoeging introk wegens overschrijding van het vrij te laten vermogen van ƒ14.000,-. Dit leidde ertoe dat eiseres een schuld van ca. ƒ15.000,- aan haar advocate had, waardoor haar netto vermogen daalde tot ca. ƒ2.200,-.
De rechtbank oordeelt dat de onverkorte toepassing van de wettelijke regels leidt tot ongelijke behandeling, omdat eiseres slechter af is dan vergelijkbare gevallen waarin het vermogen niet onder het vrij te laten bedrag daalt. Dit onderscheid is niet gerechtvaardigd en strijdig met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), dat discriminatie verbiedt.
Verder stelt de rechtbank dat de wetgever niet heeft beoogd rechtzoekenden in situaties als die van eiseres volledig uit te sluiten van gefinancierde rechtsbijstand. Ook is het mogelijk een nieuwe definitieve toevoeging te verlenen met een ingangsdatum die aansluit bij de gemaakte uren, zodat het vermogen niet onder het vrij te laten bedrag daalt.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit, en beveelt verweerder binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiseres.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de voorwaardelijke toevoeging wordt vernietigd wegens strijd met het discriminatieverbod uit artikel 26 IVBPR.