ECLI:NL:RBAMS:2004:AO7870

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 april 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
13/009050-03 (ontneming)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 46 Wet toezicht effectenverkeer 1995
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel in voorkenniszaak

De rechtbank Amsterdam heeft op 20 april 2004 uitspraak gedaan in een zaak betreffende een ontnemingsvordering in een voorkennisstrafzaak. De officier van justitie vorderde het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel werd geschat en de verplichting tot betaling daarvan aan de Staat.

Verdachte werd veroordeeld voor overtreding van een voorschrift uit de Wet toezicht effectenverkeer 1995. De rechtbank stelde vast dat het voordeel betrekking had op de aankoop van 117 aandelen Kempen & Co N.V., waarbij verdachte via de bankrekening van zijn partner handelde. Ondanks het verweer dat het voordeel aan de partner toekwam, oordeelde de rechtbank dat vanwege de gezamenlijke huishouding en verwevenheid van financiële belangen het voordeel aan verdachte toegerekend kon worden.

Het netto wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €3.776,02, na aftrek van provisiekosten. De rechtbank legde aan verdachte de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen, conform artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De beslissing werd genomen door de vijfde meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, onder voorzitterschap van mr. A.A.M. van Oosten.

Uitkomst: Verdachte is verplicht tot betaling van €3.776,02 aan de Staat als wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: [nummer] (ontneming)
Datum uitspraak: 20 april 2004
op tegenspraak
VONNIS
van de rechtbank Amsterdam, 5de meervoudige kamer D, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer [nummer], tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het [adres], [woonplaats].
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 5 en 6 april 2004.
1. De vordering
De vordering van de officier van justitie d.d. 3 maart 2004 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van
€ 4.163,00.
Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft het feit waarvoor [verdachte] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.
2. Voorvragen.
De raadsman van verdachte, [advocaat] te Utrecht, heeft ter terechtzitting, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het met betrekking tot de 117 aandelen Kempen & Co N.V. genoten voordeel niet aan verdachte ontnomen kan worden, omdat het door de partner van verdachte is genoten en bij haar blijft.
De rechtbank overweegt omtrent dit verweer het navolgende.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zijn telefonisch gegeven opdracht tot het met geld van de bankrekening van zijn partner kopen van 117 aandelen is uitgevoerd. Gebleken is dat [verdachte] en diens partner samenwonen en dat sprake is van één huishouding, ook in financieel opzicht. Bij deze verwevenheid van persoonlijke en financiële belangen is het behaalde voordeel mede toe te rekenen aan veroordeelde.
Mitsdien verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman.
3. Grondslag van de vordering.
[verdachte] is bij vonnis van de rechtbank van het arrondissement Amsterdam d.d. 20 april 2004 veroordeeld terzake van het navolgende strafbare feit:
ten aanzien van het primair bewezenverklaarde:
overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 46 van Pro de Wet toezicht effectenverkeer 1995, meermalen gepleegd.
4. Het wederrechtelijk verkregen voordeel.
In zijn ter terechtzitting overgelegde brief van 30 maart 2004 stelt veroordeelde dat zijn voordeel € 3.776,02 (zijnde het totale voordeel van € 4.163,00 minus de door hem betaalde provisie van € 386,98) is.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verdachte] door middel van voornoemd strafbaar feit voordeel verkregen dat de rechtbank schat op een bedrag van € 3.776,02, zijnde het netto voordeel.
De rechtbank ontleent deze cijfers aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
5. De verplichting tot betaling.
De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 3.776,02.
6. Toepasselijke wettelijke voorschriften.
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
7. Beslissing:
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 3.776,02.
Legt op aan [verdachte] de verplichting tot betaling van € 3.776,02 (drieduizendzevenhonderdzesenzeventig euro en twee eurocent) aan de Staat.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.A.M. van Oosten, voorzitter,
mrs. P.K. van Riemsdijk en W.M.C. van den Berg, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.L. Slaats, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 april 2004.