ECLI:NL:RBAMS:2004:AQ6071

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
13/097062-2004
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 2 OverleveringswetArt. 5 OverleveringswetArt. 7 OverleveringswetArt. 11 Overleveringswet
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel wegens georganiseerde diefstal

De rechtbank Amsterdam behandelde op 16 juli 2004 het verzoek tot overlevering van een opgeëiste persoon aan de Franse autoriteiten op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). De opgeëiste persoon werd veroordeeld door het Tribunal de Grande Instance de Sarreguemines tot een gevangenisstraf van 18 maanden wegens georganiseerde diefstal.

De verdediging voerde aan dat de redelijke termijn was overschreden omdat de Franse autoriteiten vier jaar hadden gewacht met executiemaatregelen, en dat niet vaststond of de opgeëiste persoon in persoon was gedagvaard. De rechtbank oordeelde dat het recht op een eerlijke behandeling (artikel 6 EVRM Pro) geen recht op tenuitvoerlegging binnen een bepaalde termijn inhoudt en dat geen sprake was van verjaring. Tevens werd bevestigd dat de opgeëiste persoon in persoon was geïnformeerd over de zittingsdatum, waardoor het beroep op artikel 12 OW Pro werd verworpen.

De rechtbank concludeerde dat aan alle wettelijke eisen voor overlevering was voldaan en dat de opgeëiste persoon niet kon aantonen onschuldig te zijn. Daarom werd de overlevering toegestaan voor de tenuitvoerlegging van de straf in Frankrijk.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Frankrijk toe voor de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf wegens georganiseerde diefstal.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,
NEGENDE MEERVOUDIGE KAMER D
Parketnummer: 13/097062-2004
RK nummer: 04/1890
Datum uitspraak: 16 juli 2004
UITSPRAAK
Inzake overlevering in het kader van een Europees aanhoudingsbevel.
GEZIEN de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 21 mei 2004 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd door de Franse autoriteiten.
Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in het Huis van Bewaring “De Grittenborgh” te Hoogeveen,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
GEZIEN de overige stukken.
GELET OP de behandeling ter openbare zitting van deze rechtbank en kamer van
9 juli 2004, waar zijn gehoord de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw, mr. A. Luyck, advocaat te Amsterdam.
OVERWEGENDE
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat bovengenoemde personalia kloppen en dat hij de Belgische nationaliteit heeft.
De overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging op het grondgebied van de uitvaardigende staat van het
vonnis van het Tribunal de Grande Instance de Sarreguemines, d.d. 26 juni 2000, waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.
Dit vonnis betreft een feit zoals dat is omschreven in een door de griffier gewaarmerkte en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van onderdeel e) van het EAB.
Dit feit is naar het recht van de uitvaardigende staat strafbaar en staat vermeld onder nummer 18 op bijlage 1 van de Overleveringswet, te weten:
Georganiseerde of gewapende diefstal.
Op dit feit is naar het recht van de uitvaardigende staat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
Het vonnis waarbij de vrijheidsstraf is opgelegd, is – volgens de Nederlandse wetgeving - bij verstek gewezen.
De raadsman heeft ter zitting van 25 juni 2004 een beroep gedaan op de weigeringgrond van artikel 12 OW Pro omdat naar zijn oordeel niet vast stond of de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard of anderszins in persoon op de hoogte was gebracht van de datum en plaats van de behandeling ter terechtzitting.
Bij interlocutoir vonnis d.d. 30 juni 2004 heeft de rechtbank de volgende vraag gesteld aan de Procureur de La Republique van het Tribunal de Grande Instance de Sarreguemines:
- Is de opgeëiste persoon in persoon gedagvaard of anderszins in persoon in kennis gesteld van de datum en plaats van de behandeling van de terechtzitting?
Op 1 juli 2004 heeft de procureur, voornoemd, stukken ingezonden waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard en derhalve op de hoogte was van de datum en plaats van de behandeling ter terechtzitting. De keuze van de opgeëiste persoon om niet op die terechtzitting te verschijnen waardoor het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en waardoor het recht op de garantie, bedoeld in artikel 12 OW Pro, is vervallen, komt voor zijn rekening.
De raadsman heeft betoogd dat de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM Pro is geschonden doordat de Franse autoriteiten 4 jaar hebben gewacht met het nemen van executiemaatregelen die zouden moeten leiden tot tenuitvoerlegging van het vonnis d.d. 26 juni 2000, op grond waarvan de rechtbank overeenkomstig artikel 11 OW Pro de overlevering niet zou moeten toestaan.
De rechtbank overweegt het volgende.
In artikel 6, eerste lid, EVRM is onder andere bepaalt dat bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling.
Hierin kan niet worden gelezen een recht op tenuitvoerlegging van een vonnis binnen enige termijn. Nu evenmin is gebleken dat enige verjaringstermijn is verstreken, kan het verweer van de raadsman niet leiden tot het niet toestaan van de gevraagde overlevering.
De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Hij heeft dit tijdens het verhoor ter zitting echter niet onverwijld kunnen aantonen. Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan dat feit, is niet gebleken.
Nu ten aanzien van het feit waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de Overleveringswet daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.
GEZIEN
de artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.
RECHTDOENDE
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Franse Autoriteiten ten behoeve van tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende staat wegens georganiseerde of gewapende diefstal waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door:
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. R.B. Kleiss en R. de Ruijter, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. Mulder, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 16 juni 2004.
De oudste rechter is buiten staat te tekenen.