ECLI:NL:RBAMS:2004:AQ7094
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- E.D. Bonga-Sigmond
- F. Salomon
- K. Rozemond
- Rechtspraak.nl
Overlevering van Belgische verdachte voor moord en drugshandel aan Zweedse en Belgische autoriteiten
De rechtbank Amsterdam behandelde op 20 augustus 2004 twee verzoeken tot overlevering van een Belgische verdachte die in Nederland werd gedetineerd. Het eerste verzoek betrof een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Zweden voor illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, met een opgelegde vrijheidsstraf van tien jaar. Het tweede verzoek kwam van België voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen, waaronder een vonnis van 25 jaar wegens moord.
Tijdens de zitting verklaarde de verdachte dat hij de Belgische nationaliteit bezit en niet de Nederlandse. De rechtbank stelde vast dat aan alle voorwaarden van de Overleveringswet was voldaan en dat de feiten strafbaar zijn volgens zowel het recht van de uitvaardigende staten als het Nederlandse recht. Er was sprake van samenloop van aanhoudingsbevelen uit Zweden en België, waardoor artikel 26, derde lid, van de Overleveringswet van toepassing was.
De verdediging voerde aan dat overlevering aan België de voorkeur had vanwege de ernst van het misdrijf (moord) en het belang van resocialisatie, aangezien de verdachte Belg is en familie in België heeft. De officier van justitie gaf echter voorrang aan het Zweedse EAB, mede vanwege de garantie dat de straf in België kan worden uitgevoerd en het belang van een goede rechtsbedeling.
De rechtbank oordeelde dat de officier van justitie in redelijkheid tot deze keuze kon komen en stond de overlevering aan Zweden toe voor de drugshandelzaak. Daarnaast werd ook de overlevering aan België toegestaan voor de moord en andere strafbare feiten. Tegen deze uitspraak stond geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank stond de overlevering van de verdachte aan zowel Zweden als België toe, met voorrang voor het Zweedse Europees aanhoudingsbevel.