ECLI:NL:RBAMS:2004:AR4222

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
13.097.111-04
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OverleveringswetArt. 23 OverleveringswetKaderbesluit 13 juni 2002 Raad van de Europese Unie
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering wegens onvolledig Europees aanhoudingsbevel en onvoldoende strafrechtelijke onderbouwing

De rechtbank Amsterdam behandelde op 1 oktober 2004 de vordering tot overlevering van een verdachte aan de Belgische justitiële autoriteiten op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) van 11 juni 2004. Het EAB was uitgevaardigd door een onderzoeksrechter in Antwerpen en betrof strafrechtelijke verdenkingen tegen de verdachte, die op dat moment in Nederland gedetineerd was.

De rechtbank constateerde dat het EAB niet voldeed aan de wettelijke vereisten, met name doordat het besluit waarop het EAB was gebaseerd ontbrak (onderdeel b van het EAB). Ondanks herhaalde verzoeken van het Openbaar Ministerie aan de Belgische autoriteiten om deze aanvulling, bleef dit uit. De rechtbank oordeelde dat dit gebrek de toelaatbaarheid van de overlevering in de weg stond.

Daarnaast merkte de rechtbank op dat de Belgische autoriteiten weliswaar diverse strafwetsartikelen hadden overgelegd, maar niet hadden aangetoond dat de feiten in België waren bedreigd met vrijheidsstraffen van ten minste drie jaar, zoals vereist volgens de Overleveringswet. Om deze redenen wees de rechtbank de overlevering af en hief zij het bevel tot gevangenneming op zodra de huidige detentie zou eindigen.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering van de verdachte aan België wegens een onvolledig Europees aanhoudingsbevel en onvoldoende strafrechtelijke onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,
NEGENDE MEERVOUDIGE KAMER
Parketnummer: 13.097.111-04
RK nummer: 04/2926
Datum uitspraak: 8 oktober 2004
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet, ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 16 juli 2004 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd door
B. van Camp, onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen en gedateerd 11 juni 2004.
Dit bevel betreft de aanhouding en overlev[verdachte]van:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [adres],
uit anderen hoofde thans gede-tineerd in de Penitentiaire Inrichting “Niendure”
te Almelo,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 oktober 2004. Daarbij zijn de offi-cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. J.W. Verhoef, advocaat te Amstelveen, gehoord.
2. Grondslag en inhoud van het EAB
Aan het EAB ontbreekt de vermelding van het besluit dat aan het EAB ten grondslag ligt (onderdeel b van het EAB).
Uit het dossier blijkt dat het openbaar ministerie bij herhaling, laatstelijk op 27 september 2004, bij de Belgische autoriteiten heeft aangedrongen, onder meer op aanvulling van het EAB op dit punt.
De officier van justitie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het niet invullen van onderdeel b) van het EAB geen consequenties heeft met betrekking tot de toelaatbaarheid van de overlevering.
De rechtbank overweegt het volgende.
Artikel 2, tweede lid, onder c, van de Overleveringswet, dat zijn oorsprong vindt in artikel 8, eerste lid, onder c, van het Kaderbesluit van 13 juni 2002 van de Raad van de Europese Unie, schrijft voor dat een Europees aanhoudingsbevel in elk geval de volgende gegevens dient te bevatten:
“......c. de vermelding dat (...) een aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing bestaat;”
De rechtbank kan op grond van het voorgaande niet tot een andere conclusie komen dan dat het EAB niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen en zal reeds om die reden de overlevering van de opgeëiste persoon weigeren.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog het volgende op.
De feiten waarvoor overlevering wordt gevraagd zijn lijstfeiten. De Belgische autoriteiten hebben weliswaar vele strafwetsartikelen overgelegd, maar niet die artikelen waaruit kan worden afgeleid dat deze feiten naar Belgisch recht zijn bedreigd met vrijheidsbenemende straffen van ten minste drie jaren, met welke laatstbedoelde bepalingen kan worden volstaan.
3. Beslissing
STAAT NIET TOE de overlevering van [verdachte] aan de Belgische justitiële autoriteit ten behoeve van strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
HEFT OP het ter zitting van 1 oktober 2004 mondeling gegeven bevel gevangenneming met ingang van het tijdstip dat de detentie uit anderen hoofde zal zijn geëindigd.
Aldus gedaan door
mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzit-ter,
mrs. P.B. Martens en J.N.A. Jolink, rech-ters,
in tegenwoordigheid van G. Bos, grif-fier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 8 oktober 2004.