ECLI:NL:RBAMS:2005:AU2365
Rechtbank Amsterdam
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging mondelinge koopovereenkomst en boetebeding bij ontbinding onroerend goed
In deze civiele bodemzaak staat centraal of tussen A en de erfgenamen van wijlen mevrouw E een koopovereenkomst tot stand is gekomen betreffende een boerderij en of A gehouden is tot betaling van een boete wegens niet-nakoming.
Partijen bereikten mondeling overeenstemming over de koopprijs in november/december 2001. Hoewel de conceptkoopovereenkomsten niet zijn ondertekend, heeft A op 19 december 2001 een verklaring getekend waarin verwezen wordt naar een koopovereenkomst, waarmee de koop schriftelijk is vastgelegd. Nadere onderhandelingen over aanvullende voorwaarden deden niet af aan het bestaan van de overeenkomst.
De boetebedingclausule, opgenomen in de conceptkoopovereenkomsten en niet gewijzigd in de verklaring van 19 december 2001, geldt als onderdeel van de overeenkomst. A is na ingebrekestelling tekortgeschoten, waardoor de overeenkomst is ontbonden en de boete verschuldigd is.
A heeft een beroep gedaan op matiging van de boete op grond van artikel 6:94 BW Pro. De rechtbank acht dit beroep gegrond om nader te onderzoeken en verwijst de zaak naar een volgende rolzitting, waarbij D de concrete schade moet specificeren. Een verdere beslissing wordt aangehouden.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de koopovereenkomst en boeteplicht, maar houdt matiging van de boete aan voor nadere onderbouwing.