ECLI:NL:RBAMS:2005:AU4369
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- F.C. Lauwaars
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap na erkenning
De moeder verzocht de rechtbank Amsterdam om vast te stellen dat de man de vader is van haar minderjarige kind, dat reeds op 12 juli 2004 door de man was erkend. De moeder stelde dat het kind door de erkenning feitelijk staatloos was en dat gerechtelijke vaststelling noodzakelijk was om discriminatie te voorkomen en het kind sneller de Nederlandse nationaliteit te laten verkrijgen.
De officier van justitie voerde een bevoegdheidsverweer aan, maar de rechtbank achtte zich bevoegd omdat alleen de officier van justitie dit verweer had ingediend en deze niet als rechtstreeks belanghebbende kon worden beschouwd. De rechtbank stelde vast dat Nederlands recht van toepassing is en dat het verzoek ontvankelijk was omdat het binnen vijf jaar na geboorte was ingediend.
De moeder en de bijzonder curator benadrukten het belang van het verzoek vanwege de nationaliteitsproblematiek en mogelijke discriminatie tussen kinderen die voor of na geboorte zijn erkend. De rechtbank oordeelde echter dat het afstammingsrecht, zoals geregeld in het Burgerlijk Wetboek, niet strijdig is met het discriminatieverbod en dat de erkenning het vaderschap reeds rechtsgeldig vaststelt.
De rechtbank concludeerde dat het verzoek niet toewijsbaar is omdat het kind door erkenning al twee ouders heeft en artikel 1:207 lid 2 BW Pro een gerechtelijke vaststelling in dat geval uitsluit. Daarom wees de rechtbank het verzoek af.
Uitkomst: Het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is afgewezen omdat het vaderschap reeds door erkenning is vastgesteld.