ECLI:NL:RBAMS:2005:AU4369

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
304079/FA RK 04-6558
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • F.C. Lauwaars
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:207 BWArt. 265 RvArt. 798 RvArt. 6 Wet conflictenrecht afstammingArt. 12 lid 2 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap na erkenning

De moeder verzocht de rechtbank Amsterdam om vast te stellen dat de man de vader is van haar minderjarige kind, dat reeds op 12 juli 2004 door de man was erkend. De moeder stelde dat het kind door de erkenning feitelijk staatloos was en dat gerechtelijke vaststelling noodzakelijk was om discriminatie te voorkomen en het kind sneller de Nederlandse nationaliteit te laten verkrijgen.

De officier van justitie voerde een bevoegdheidsverweer aan, maar de rechtbank achtte zich bevoegd omdat alleen de officier van justitie dit verweer had ingediend en deze niet als rechtstreeks belanghebbende kon worden beschouwd. De rechtbank stelde vast dat Nederlands recht van toepassing is en dat het verzoek ontvankelijk was omdat het binnen vijf jaar na geboorte was ingediend.

De moeder en de bijzonder curator benadrukten het belang van het verzoek vanwege de nationaliteitsproblematiek en mogelijke discriminatie tussen kinderen die voor of na geboorte zijn erkend. De rechtbank oordeelde echter dat het afstammingsrecht, zoals geregeld in het Burgerlijk Wetboek, niet strijdig is met het discriminatieverbod en dat de erkenning het vaderschap reeds rechtsgeldig vaststelt.

De rechtbank concludeerde dat het verzoek niet toewijsbaar is omdat het kind door erkenning al twee ouders heeft en artikel 1:207 lid 2 BW Pro een gerechtelijke vaststelling in dat geval uitsluit. Daarom wees de rechtbank het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is afgewezen omdat het vaderschap reeds door erkenning is vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
ZESDE ENKELVOUDIGE CIVIELE KAMER
BESCHIKKING
Gerechtelijke vaststelling vaderschap
Beschikking in de zaak van:
[de moeder],
wonende te Den Helder,
verzoekende partij,
hierna te noemen de moeder,
procureur mr. M.G.C. van Riet,
tegen
[de man],
wonende te Den Helder,
verwerende partij,
hierna te noemen de man.
Als belanghebbende is aangemerkt:
mr. R.T.P.H. Jacobs,
kantoorhoudende te Amsterdam,
in zijn hoedanigheid van bijzonder curator over na te noemen minderjarige,
hierna te noemen de bijzonder curator,
als procureur voor zichzelf verschijnende.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het op 19 november 2004 ter griffie ingediende verzoekschrift;
- de beschikking van deze rechtbank en kamer van 2 februari 2005, waarbij mr. R.T.P.H. Jacobs is benoemd tot bijzonder curator over na te noemen minderjarige;
- de brief van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage d.d. 11 februari 2005;
- de schriftelijke conclusie van de officier van justitie d.d. 7 maart 2005;
- de schriftelijke reactie van de bijzonder curator;
- de brief van de officier van justitie d.d. 10 mei 2005;
- de brief, met bijlagen, van mr. Van Riet d.d. 4 augustus 2005.
De zaak is behandeld ter terechtzittingen met gesloten deuren van respectievelijk 16 maart 2005 (pro forma) en 16 augustus 2005.
Tijdens de laatste behandeling zijn gehoord: de moeder, haar procureur, de vader en de bijzonder curator.
De rechtbank overweegt als volgt:
Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank zal vaststellen dat de man de vader is van de minderjarige:
- [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige]),
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2004,
erkend door de man op 12 juli 2004 te Montreuil (Frankrijk),
als bedoeld in artikel 1: 207 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
De moeder legt aan het verzoek ten grondslag dat de man de verwekker is van [de minderjarige].
relatieve bevoegdheid van deze rechtbank:
De officier van justitie heeft aangevoerd dat deze rechtbank niet bevoegd is, daar [de minderjarige] staat ingeschreven in de gemeente Den Helder, zodat de rechtbank Alkmaar in deze bevoegd is. Volgens de officier van justitie blijkt niet dat de moeder een redelijk belang heeft om in Amsterdam domicilie te kiezen.
Volgens artikel 265 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in zaken betreffende minderjarigen bevoegd de rechtbank van de woonplaats van de minderjarige. Vaststaat dat de minderjarige [de minderjarige] in Den Helder woonplaats heeft, nu de met het gezag belaste ouders aldaar woonachtig zijn.
De moeder heeft er uitdrukkelijk voor gekozen de zaak bij deze rechtbank aanhangig te maken. De verwerende partij, noch de bijzonder curator heeft de bevoegdheid van deze rechtbank betwist. Nu uitsluitend de officier van justitie het bevoegdheidsverweer heeft ingeroepen en deze niet als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 798 Rv Pro kan worden aangemerkt, acht de rechtbank zich bevoegd van het verzoek kennis te nemen en daarop te beslissen.
toepasselijk recht:
Ingevolge artikel 6 van Pro de Wet conflictenrecht afstamming is op het onderhavige verzoek Nederlands recht van toepassing.
ontvankelijkheid van de verzoekende partij:
Nu het verzoek is ingediend binnen vijf jaren na de geboorte van [de minderjarige], kan de moeder in het verzoek worden ontvangen.
nadere beoordeling van het verzoek:
De moeder is van mening dat [de minderjarige] belang heeft bij toewijzing van het verzoek.
Zij heeft aangevoerd dat zij en de man zich op 16 augustus 2004 tot de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Helder hebben gewend. Zij hebben toen vernomen dat drie jaar moet worden gewacht voordat [de minderjarige] de Nederlandse nationaliteit kan verkrijgen. De moeder vindt dit bezwaarlijk omdat [de minderjarige] thans geregistreerd staat zonder bekende nationaliteit. Volgens de moeder is [de minderjarige] feitelijk staatloos, omdat niet kan worden aangetoond dat haar vader de Algerijnse nationaliteit bezit en haar nationaliteit uitsluitend kan worden afgeleid uit de nationaliteit van haar vader.
De moeder heeft een beroep gedaan op artikel 12 lid 2 van Pro het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), dat discriminatie op basis van de status van de ouders verbiedt. Zij vindt dat er sprake is van discriminatie nu de wet de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van een reeds erkend kind uitsluit en het kind daardoor de mogelijkheid tot het onmiddellijk verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit wordt ontnomen. Hierdoor wordt het kind achtergesteld bij kinderen die vóór hun geboorte zijn erkend.
De moeder is desgewenst bereid haar stelling dat de man de verwekker is van [de minderjarige] te bewijzen middels een DNA-onderzoek.
Ter zitting heeft de moeder nog verklaard dat volgens haar de bedoeling van artikel 1: 207 lid 2 aanhef en onder a BW is dat het kind niet meer dan één vader zal hebben.
De bijzonder curator heeft uitvoerig met de moeder en de man gesproken en vastgesteld dat zij sedert augustus 2004 in Den Helder samenwonen. De moeder en de man oefenen gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] uit. De bijzonder curator is van mening dat de eerdere erkenning van [de minderjarige] niet aan een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in de weg staat omdat [de minderjarige] hierdoor geen familierechtelijke betrekking krijgt met meer dan twee ouders. Zij acht toewijzing van het verzoek in het belang van [de minderjarige]. [de minderjarige] zal alsdan namelijk beschikken over de Nederlandse nationaliteit, waardoor het risico van uitzetting ofwel uitplaatsing niet meer voorhanden is. De Nederlandse nationaliteit is volgens de bijzonder curator te prefereren boven enige andere nationaliteit.
De moeder en de bijzonder curator hebben aangevoerd dat [de minderjarige] belang heeft bij toewijzing van het verzoek, omdat zij alsdan het Nederlanderschap vrijwel onmiddellijk verkrijgt op grond van artikel 4 lid 1 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap. Bij erkenning kan zij het Nederlanderschap pas verkrijgen nadat zij een onafgebroken periode van tenminste drie jaren is verzorgd en opgevoed door de Nederlander door wie zij is erkend. De moeder en de bijzonder curator menen dat er sprake is van discriminatie tussen enerzijds kinderen die vóór hun geboorte zijn erkend en anderzijds kinderen die na hun geboorte zijn erkend. Naar de rechtbank begrijpt voeren zij aan dat artikel 2 IVRK Pro deze discriminatie van kinderen op grond van hun status verbiedt.
De rechtbank is van oordeel dat wat er ook zij van het argument dat er sprake is van discriminatie, dit niet zijn grondslag vindt in het afstammingsrecht zoals dat is geregeld in het Burgerlijk Wetboek doch in de Rijkswet op het Nederlanderschap. De veronderstelde strijdigheid met artikel 2 IVRK Pro kan worden aangevoerd in een procedure die het Nederlanderschap tot inzet heeft.
In deze is aan de rechtbank het verzoek voorgelegd tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap ex artikel 1: 207 BW, zodat zij haar oordeel daartoe zal beperken. Hierbij is van belang dat in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel inzake herziening van het afstammingsrecht alsmede van de regeling van adoptie (TK 1995-1996, 24 649 nr. 3, onder nr. 2 sub f) onder meer is vermeld: ‘De gerechtelijke vaststelling kan worden beschouwd als een laatste mogelijkheid om een familierechtelijke betrekking met de verwekker - zo nodig na zijn overlijden - tot stand te brengen, indien de bereidheid van de verwekker zelf daartoe niet bestaat dan wel wellicht wel bestaan heeft maar tijdens zijn leven niet geleid heeft tot erkenning.’
De rechtbank is van oordeel dat door de erkenning van [de minderjarige] op 12 juli 2004 het vaderschap ten aanzien van haar rechtens al vaststaat. Reeds om die reden is het verzoek niet voor toewijzing vatbaar. Door de erkenning heeft [de minderjarige] twee ouders, zodat artikel 1: 207 lid 2 aanhef en onder a BW eveneens in de weg staat aan een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap.
Op grond hiervan wordt als volgt beslist.
BESLISSING:
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. F.C. Lauwaars, lid van deze kamer, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 14 september 2005 in tegenwoordigheid van H. Hendriks als griffier.