ECLI:NL:RBAMS:2005:AU4370
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- F.C. Lauwaars
- Rechtspraak.nl
Erkenning staat in de weg aan gerechtelijke vaststelling van het vaderschap volgens Hongaars recht
De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van een minderjarige, waarbij zowel de moeder als de man verzoeken indienden. De man had het kind reeds erkend op 28 juni 2004. De rechtbank stelde vast dat op grond van artikel 6 van Pro de Wet conflictenrecht afstamming Hongaars recht van toepassing is, aangezien de rechtsbetrekking na 1 mei 2003 is ontstaan.
Volgens het Hongaars recht, zoals vastgelegd in de Wet nr. 4/1952 inzake huwelijk, familie en voogdij, kan gerechtelijke vaststelling van het vaderschap niet plaatsvinden indien het vaderschap reeds berust op erkenning. De rechtbank oordeelde dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoek en het verzoek van de man wordt afgewezen omdat het vaderschap door erkenning rechtsgeldig is vastgesteld.
De moeder en de man voerden aan dat er sprake zou zijn van ongelijke behandeling in het licht van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), maar de rechtbank stelde dat eventuele strijdigheid met artikel 2 IVRK Pro niet in deze procedure kan worden beoordeeld, maar in een procedure over het Nederlanderschap. De rechtbank bevestigde dat het vaderschap volgens het toepasselijke Hongaars recht vaststaat en dat gerechtelijke vaststelling niet mogelijk is zolang erkenning is gedaan.
Uitkomst: Verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wordt afgewezen wegens toepasselijkheid van Hongaars recht en geldige erkenning.