ECLI:NL:RBAMS:2005:AU8009
Rechtbank Amsterdam
- Eerste en enige aanleg
- M. van Hees
- L. Voetelink
- J.L. de Vries
- Rechtspraak.nl
Rechtsgevolgen van vermogensinstandhoudingsverklaring na faillissement vennootschap
De zaak betreft een geschil over de rechtsgevolgen van een door bestuurders A en B afgegeven vermogensinstandhoudingsverklaring (net-worth verklaring) aan de Bank, waarin zij zich verbonden het eigen vermogen van hun vennootschappen op peil te houden. Na faillissement van de vennootschappen vordert de Bank betaling van schadevergoeding wegens niet-nakoming van deze verplichting.
A en B betwisten de geldigheid van de verklaring onder meer wegens het ontbreken van toestemming van hun echtgenotes, het verval van de verklaring bij de nieuwe kredietovereenkomst, en het niet tijdig klagen en in gebreke stellen door de Bank. De rechtbank oordeelt dat de verklaring rechtsgeldig is, het ontbreken van toestemming niet tot nietigheid leidt, en dat de Bank tijdig heeft gehandeld.
Verder wordt geoordeeld dat de Staat, die als borg een bedrag heeft betaald, niet gesubrogeerd is in de rechten van de Bank uit hoofde van de verklaring, omdat deze een persoonlijk recht betreft. De Bank wordt daarom slechts toewijsbaar in haar vordering tegen A en B tot betaling van € 206.937,91 plus rente en incassokosten. De reconventionele vorderingen van A, B, C en D worden afgewezen.
Uitkomst: A en B worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 206.937,91 plus rente en kosten aan de Bank; de vorderingen van de Staat worden afgewezen.