ECLI:NL:RBAMS:2006:AV1187

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
13.497.341-2005
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 29 OLW
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid officier van justitie wegens onvindbaarheid opgeëiste persoon in uitleveringsprocedure

De rechtbank Amsterdam behandelde op 20 januari 2006 een vordering van de officier van justitie tot overlevering van een opgeëiste persoon op grond van een Europees aanhoudingsbevel uit Italië. De opgeëiste persoon was herhaaldelijk niet verschenen bij de zittingen, beschikte slechts over een postadres in Nederland en was onbekend op zijn opgegeven verblijfadres. De rechtbank concludeerde dat er ernstige aanwijzingen zijn dat de opgeëiste persoon Nederland heeft verlaten.

De rechtbank nam daarbij in aanmerking dat de opgeëiste persoon nog niet lang in Nederland verbleef, een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd had, afhankelijk leek van een Nederlandse vrouw en kind van wie het adres onbekend was, geen werk had en zijn post niet ophaalde bij het postadres. Gezien deze omstandigheden achtte de rechtbank het niet aannemelijk dat de opgeëiste persoon naar Nederland zal terugkeren.

De verdediging stelde zich op het standpunt dat de officier van justitie niet ontvankelijk moest worden verklaard omdat de opgeëiste persoon onvindbaar was, terwijl de officier van justitie meende dat de binding met Nederland voldoende was voor voortzetting van de procedure. De rechtbank volgde de verdediging en verklaarde de officier van justitie niet ontvankelijk in haar vordering. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De officier van justitie wordt niet ontvankelijk verklaard wegens onvindbaarheid van de opgeëiste persoon.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.497.341-2005
RK nummer: 05/2745
Datum uitspraak: 20 januari 2006
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 11 augustus 2005 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op
1 augustus 2005 door de “pre-trial investigation judge” (“giudice delle indagini preliminari”) bij de “Court” (“Tribunale”) te Bologna, Italië. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het [adres]
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
De eerste behandeling van de vordering vond plaats op de openbare zitting van 27 september 2005. Daarbij zijn de offi-cier van justitie en de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. G.J. van der Meer, advocaat te Amsterdam, gehoord. De opgeëiste persoon is niet verschenen. Nadat de rechtbank de oproeping nietig had verklaard, is het onderzoek geschorst tot 28 oktober 2005 teneinde de officier van justitie in staat te stellen de opgeëiste persoon opnieuw op te roepen.
De termijn als bedoeld in artikel 22, lid 1 van de OLW is op grond van artikel 22, lid 3 OLW met dertig dagen verlengd in verband met de bijzondere omstandigheid dat de vordering op 27 september 2005 niet verder in behandeling genomen kon worden en de opgeëiste persoon opnieuw opgeroepen diende te worden.
Op 28 oktober 2005 is de behandeling voortgezet. De opgeëiste persoon is wederom niet verschenen. De officier van justitie en de raadsman zijn gehoord. Het onderzoek is geschorst voor onbepaalde tijd, aangezien niet kon worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon behoorlijk was opgeroepen.
Op 2 december 2005 is de behandeling voortgezet. De opgeëiste persoon is wederom niet verschenen. De officier van justitie en de raadslieden G.J. van der Meer en G. Spong, advocaten te Amsterdam, zijn gehoord. Het onderzoek is geschorst voor onbepaalde tijd, aangezien wederom niet kon worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon behoorlijk was opgeroepen.
Op 20 januari 2006 is de behandeling voortgezet. De opgeëiste persoon is wederom niet verschenen. De officier van justitie en mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, zijn gehoord.
2. Verweren
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de officier van justitie, in de lijn van de arresten van de Hoge Raad, zoals daar zijn NJ 1989, 406 en NJ 1989, 758, niet ontvankelijk verklaard dient te worden in haar vordering, omdat de opgeëiste persoon onvindbaar is en er derhalve geen feitelijke mogelijkheid tot overlevering bestaat.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat nu de opgeëiste persoon een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en een vrouw en kind heeft, in het licht van een eerdere uitspraak van deze rechtbank, de behandeling van onderhavige vordering doorgang kan vinden. In deze uitspraak werd namelijk de kans dat de onvindbare opgeëiste persoon binnen zeer afzienbare tijd weer zou opduiken in Nederland erg groot geacht in verband met de binding van de opgeëiste persoon met Nederland.
De rechtbank overweegt als volgt.
De Hoge Raad neemt in haar arrest dat gepubliceerd is in NJ 1988, 1004 het standpunt in dat de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vordering tot behandeling van een uitleveringsverzoek moet worden verklaard, wanneer blijkt dat de opgeeiste persoon zich niet meer in Nederland bevindt en ook niet te verwachten valt dat hij naar Nederland zal terugkeren.
Nu de opgeëiste persoon herhaald niet ter terechtzitting is verschenen, hij in Nederland slechts over een postadres beschikt en hij onbekend is op het door hem opgegeven verblijfadres, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat hij Nederland heeft verlaten.
In het onderhavige geval is de opgeëiste persoon iemand die nog niet zo lang in Nederland is, een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd heeft, die afhankelijk lijkt te zijn van een Nederlandse vrouw en kind van wie het adres de rechtbank niet bekend is, geen werk heeft, onbekend is op het door hem opgegeven verblijfsadres in [woonplaats] en zijn post niet komt ophalen op zijn postadres bij het Leger des Heils.
De rechtbank is van oordeel dat uit de feiten en omstandigheden van dit geval niet te verwachten valt dat de opgeëiste persoon naar Nederland zal terugkeren. De rechtbank acht derhalve de officier van justitie niet ontvankelijk in haar vordering.
8. Beslissing
Verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in haar vordering.
Aldus gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen voorzit-ter,
mrs. M.E. Leijten en J.L. Hillenius, rech-ters,
in tegenwoordigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn grif-fier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 20 januari 2006.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.