ECLI:NL:RBAMS:2006:AX8291
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- T.P.J. de Graaf
- Rechtspraak.nl
Intrekking drankvergunning op grond van ernstig gevaar volgens Wet BIBOB
Verzoekster, exploitant van een hotel in Amsterdam, kreeg op 1 december 2003 een drankvergunning verleend. Verweerder trok deze vergunning op 11 april 2006 in op basis van een BIBOB-advies, waarin ernstige vermoedens werden geuit dat betrokkenen bij verzoeksters onderneming betrokken zijn bij drugshandel en witwassen.
Verzoekster betwistte de betrouwbaarheid van het BIBOB-advies en stelde dat toepassing van de Wet BIBOB alleen mogelijk is indien strafbare feiten vaststaan, en dat dit instrument een criminal charge inhoudt met toepassing van het EVRM. De rechtbank oordeelde dat de Wet BIBOB niet uitgaat van de onschuldpresumptie en dat een redelijk vermoeden voldoende is.
De rechter beoordeelde het BIBOB-advies en concludeerde dat de informatie over een zakenpartner onvoldoende betrouwbaar was, maar dat er voldoende onderbouwing was voor het ernstige vermoeden tegen een andere zakenpartner. De intrekking werd als evenredig beschouwd, omdat het ernstige gevaar dat de vergunning wordt gebruikt voor criminele doeleinden werd vastgesteld.
De rechtbank zag geen aanleiding voor een voorlopige voorziening en wees het verzoek af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling of griffierechtvergoeding toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen de intrekking van de drankvergunning wordt afgewezen.