ECLI:NL:RBAMS:2006:AZ0410
Rechtbank Amsterdam
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Ontbinding van besloten vennootschap en aandeelhoudersgeschil over opeisbaarheid vordering
A en B zijn elk voor de helft aandeelhouder van Interroyal Amsterdam B.V., waarbij A tevens bestuurder is. A vordert dat B meewerkt aan de ontbinding van de vennootschap en stelt dat B misbruik maakt van recht door dit tegen te houden. B voert verweer en vordert in reconventie betaling van een schuld van A.
De rechtbank stelt vast dat Interroyal al geruime tijd geen activiteiten meer ontplooit en dat voortzetting louter nadelige financiële gevolgen heeft. Op grond van artikel 2:8 BW Pro dienen aandeelhouders zich jegens elkaar naar redelijkheid en billijkheid te gedragen. B heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat voortzetting van Interroyal tot voldoening van zijn vordering zal leiden.
De rechtbank oordeelt dat B zich onterecht verzet tegen ontbinding en veroordeelt hem tot medewerking aan ontbinding onder dwangsom. De vordering van B op Interroyal is niet onherroepelijk niet opeisbaar, maar de gestelde voorwaarde is niet voldoende concreet onderbouwd. De overige vorderingen van A en B worden afgewezen. De kosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: B wordt veroordeeld tot medewerking aan de ontbinding van Interroyal Amsterdam B.V. onder dwangsom, overige vorderingen worden afgewezen.