ECLI:NL:RBAMS:2006:AZ1043
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid bestuurder BV voor premie verschuldigd door vof zonder disculpatiemogelijkheid
Eiser, bestuurder en enig aandeelhouder van een BV die vennoot was in een vof, werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor openstaande premies van de vof over 2002 en 2003. De vof had geen rechtspersoonlijkheid, waardoor op grond van artikel 16c CSV de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk zijn.
Eiser betwistte de aansprakelijkheid en stelde dat de vof geen lichaam is en dat de aansprakelijkheid op grond van artikel 16d CSV moest worden beoordeeld, met een disculpatiemogelijkheid. Tevens voerde hij aan dat de vordering onjuist en onvoldoende gemotiveerd was.
De rechtbank oordeelde dat de vof als lichaam zonder rechtspersoonlijkheid kwalificeert en dat eiser als bestuurder van de BV, die bestuurder was van de vof, hoofdelijk aansprakelijk is volgens artikel 16c CSV. De disculpatiemogelijkheid geldt niet voor aansprakelijkheid op grond van artikel 16c, onderdeel c. Wel vond de rechtbank dat het bestreden besluit onvoldoende inzicht gaf in de samenstelling en juistheid van de vordering, waardoor het besluit onvoldoende gemotiveerd was.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en droeg het bestuursorgaan op een nieuw besluit te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering van de vordering.