ECLI:NL:RBAMS:2006:AZ4474
Rechtbank Amsterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatigheid primaire besluiten DNB en AFM jegens bestuurders VPV niet toewijsbaar in kort geding
Eisers, voormalig bestuurders en aandeelhouders van VPV, werden door DNB en AFM met primaire besluiten van 14 april 2003 ontheven van hun bestuursfuncties wegens twijfel aan hun betrouwbaarheid. Deze besluiten werden later door het College van Beroep vernietigd wegens onvoldoende motivering over de datum van voorkennis. Eisers vorderden in kort geding een voorschot van EUR 1 miljoen wegens onrechtmatige besluiten en een verbod voor DNB en AFM om opnieuw negatieve oordelen te vellen op basis van dezelfde feiten.
De rechtbank stelde vast dat de primaire besluiten onrechtmatig zijn en deze onrechtmatigheid aan DNB en AFM kan worden toegerekend. Echter, in kort geding kon niet worden vastgesteld welk bedrag in een bodemprocedure zou worden toegewezen. Verder was onduidelijk welke schade uitsluitend voortkomt uit de besluiten, mede vanwege de strafrechtelijke vervolging en veroordelingen die ook tot reputatieschade leidden.
De rechtbank verwierp ook de vorderingen tot verbod op toekomstige negatieve oordelen, omdat DNB en AFM op basis van gewijzigde omstandigheden en nieuwe feiten zelfstandig moeten beoordelen. Eisers werden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis benadrukt de beperkingen van kort geding bij complexe schadevaststelling en de scheiding tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke beoordelingen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af wegens onvoldoende aannemelijkheid van de schade in kort geding en veroordeelt eisers in de proceskosten.