ECLI:NL:RBAMS:2006:AZ6105
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- C.J. Laurentius - Kooter
- Rechtspraak.nl
Matiging van contractueel bedongen boete wegens exploitatie speelautomaten na overdracht onderneming
In deze civiele bodemzaak stond de vraag centraal of eiser A na de overdracht van zijn onderneming aan Continental nog een vorderingsrecht had jegens gedaagde B wegens de exploitatie van speelautomaten in een café. A stelde dat deze exploitatie buiten de overname viel en vorderde een boete wegens tekortschieten in de nakoming van exploitatieovereenkomsten.
B betwistte dit en voerde onder meer strijd met de goede trouw aan, stelde dat de boete buitensporig was en dat eerdere bindende beslissingen onjuist waren. De rechtbank oordeelde dat de eerdere bindende eindbeslissingen van het tussenvonnis van 9 november 2005 in beginsel gelden en dat B onvoldoende omstandigheden had gesteld om daarvan af te wijken.
De rechtbank stelde vast dat A ook na de overdracht een vorderingsrecht toekomt en dat B schadeplichtig is. De berekende boete van ruim €647.000 werd echter als buitensporig beschouwd ten opzichte van de daadwerkelijke schade. Daarom mat de rechtbank de boete tot €200.000, met wettelijke rente vanaf 10 december 1997. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. B werd veroordeeld tot betaling van proceskosten aan A.
Uitkomst: De rechtbank mat de boete tot €200.000 met wettelijke rente vanaf 10 december 1997 en wees overige vorderingen af.