Uitgangspunt is daarbij dat partijen op 11 juli 2002 expliciet zijn overeengekomen dat indien A de brancheverruiming voor Koopcentrum Akerpoort voor 1 oktober 2002 realiseert, hij daarvoor de overeengekomen vergoeding zal ontvangen. Tussen partijen is niet in geschil dat genoemde datum de termijn is waarbinnen het beoogde resultaat, te weten de brancheverruiming, moest zijn behaald. Deze termijn is op 25 november 2002 verlengd tot voor Toys “R” Us 31 januari 2003 en voor Jumper tot 28 februari 2003.
Op 6 februari 2003 zijn de bestaande afspraken omtrent de wijze waarop A de overeengekomen vergoeding zou kunnen verdienen gewijzigd. Daarbij is overeengekomen dat “de bovenstaande afspraken gelden tot 31 december 2003”. Deze termijn is vervolgens bij brief van 29 april 2004 verlengd tot 1 mei 2004. Het te behalen beoogd resultaat is, blijkens de brief van 6 februari 2003 dat “de procedure is afgerond en de toestemming tot vestiging onherroepelijk is”.
A betoogt dat de afspraken van 6 februari 2003 aldus moeten worden begrepen dat zij ook recht zou hebben op betaling van de vergoeding, indien de beoogde vrijstellingen na ommekomst van de (verlengde) geldigheidsduur van de nieuwe afspraken zou worden verleend.
De rechtbank volgt A daarin niet. Zonder nadere uitleg, die ontbreekt, is immers niet in te zien waarom, indien het door A gestelde juist zou zijn, de geldigheidsduur van de afspraken tussen partijen in de brief van 6 februari 2003 expliciet is vastgesteld. De termijn is ook nadien in de brief van 29 april 2004 expliciet verlengd tot 1 mei 2004 waaraan wordt toegevoegd dat Liberty de vergoeding ook verschuldigd is als “binnen deze periode” nog andere huurders zich in Akerpoort vestigen.
Dat A, zoals Liberty betoogt, slechts recht had op betaling van de vergoeding indien het beoogd resultaat binnen de telkens gestelde termijnen zou zijn behaald wordt voorts bevestigd door de e-mail van 7 september 2004 waarin Liberty schrijft dat zij: “ondanks dat onze overeenkomst inzake je advisering formeel is verlopen” bereid is “de oude overeenkomst nogmaals te verlengen.” Liberty schrijft dat zij bij het verlenen van de definitieve vrijstellingsvergunningen bereid is € 55.000,= te betalen, waaraan wordt toegevoegd dat: “Eén en ander zou volgens mijn verwachting deze maand zijn beslag kunnen krijgen” Deze nieuwe afspraak vervalt vervolgens weer op 31 oktober 2004.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat nu is gesteld noch gebleken dat A daartegen op enig moment heeft geprotesteerd, moet worden aangenomen dat A heeft ingestemd met de in de brieven van 6 februari en 29 april 2003 en de e-mail van 7 september 2004 steeds expliciet opgenomen einddata, die mede bezien in het licht van de daaraan voorafgaande afspraken, moeten worden aangemerkt als fatale termijn waarbinnen het beoogde resultaat door A voor Liberty moest zijn behaald. Aangezien de laatste termijn op 31 oktober 2004 verstreek en de definitieve vrijstellingen eerst in februari 2005 zijn afgegeven, is niet voldaan aan de tussen partijen overeengekomen voorwaarde voor betaling van de vergoeding. Dat Liberty desondanks, naar zij stelt coulance halve, een deel van die vergoeding aan A heeft betaald, maakt dat niet anders.