ECLI:NL:RBAMS:2006:AZ7644
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toestaan overlevering aan België voor tenuitvoerlegging interneringsmaatregelen
De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering tot overlevering van een persoon aan België op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) voor de tenuitvoerlegging van twee interneringsmaatregelen. De opgeëiste persoon werd verdacht van diverse strafbare feiten, waaronder diefstal met braak, medeplegen van verboden handelingen onder de Opiumwet en bedreiging.
De verdediging voerde meerdere verweren aan, waaronder dat de officier van justitie niet ontvankelijk was omdat de opgeëiste persoon niet onverwijld was voorgeleid en niet was gewezen op de verkorte procedure. Ook werd betoogd dat het EAB niet door een bevoegde autoriteit was uitgevaardigd en dat het ontbreken van een psychologisch rapport een schending van de Overleveringswet en het EVRM betekende. Deze verweren werden door de rechtbank verworpen, mede vanwege de bevestiging van de bevoegdheid van de uitvaardigende autoriteit en het feit dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen.
Verder stelde de verdediging dat detentie in België in strijd was met artikel 3 EVRM Pro vanwege onvoldoende psychiatrische zorg. De rechtbank oordeelde dat dit bezwaar niet tot weigering van overlevering leidt en dat dit soort klachten bij de Belgische rechter of klachtencommissie aanhangig gemaakt moeten worden. Ook het bezwaar dat in Nederland nog een strafvervolging loopt en detentie moet worden uitgezeten, werd afgewezen omdat dit niet betrekking had op dezelfde feiten.
De rechtbank concludeerde dat aan alle wettelijke vereisten voor overlevering was voldaan en stond de overlevering toe. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan België toe voor de tenuitvoerlegging van twee interneringsmaatregelen.