ECLI:NL:RBAMS:2007:BA1502

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
258842
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 186 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding beslissing verzet tegen tussentijdse uitdelingslijst in faillissement Jomed N.V. vanwege cassatieberoep

Opposanten hebben verzet ingesteld tegen de eerste tussentijdse uitdelingslijst in het faillissement van Jomed N.V. De rechtbank verklaarde opposanten ontvankelijk en liet hun vordering voorwaardelijk toe, wat leidt tot een mogelijke wijziging van de uitdelingslijst.

Tijdens de voortgezette behandeling werd de vordering betwist door de curator en erkende schuldeisers. De rechter-commissaris liet de vordering voorwaardelijk toe en verwees partijen naar een nader te bepalen zitting voor de renvooiprocedure.

Echter, tegen de tussenbeschikking waarbij opposanten ontvankelijk werden verklaard, is beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Dit beroep heeft schorsende werking, waardoor de rechtbank de verdere behandeling van het verzet niet kan voortzetten. Ondanks het belang van enkele erkende schuldeisers bij een snelle uitspraak, acht de rechtbank het niet toegestaan om een eindbeschikking te geven zolang het cassatieberoep loopt.

Daarom wordt de zaak pro forma aangehouden tot 27 juni 2007, waarna de rechtbank een beslissing zal nemen afhankelijk van de uitspraak van de Hoge Raad.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing op het verzet aan vanwege het schorsende cassatieberoep en verwijst de zaak pro forma naar een latere zitting.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
SECTOR CIVIEL RECHT
TUSSENBESCHIKKING
Faillissementsnummer: 03.233-F
Beslissing naar aanleiding van het door schuldeisers:
A en B
beiden wonende te Florence, Italië.
procureur mr. B.J.H. Crans
- hierna te noemen: opposanten,
ingediende verzetschrift zoals bedoeld in artikel 186 van Pro de Faillissementswet (Fw), in het faillissement van:
de naamloze vennootschap JOMED N.V.,
statutair gevestigd te Amsterdam,
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Zuid-Limburg,
dossiernummer: 33.252.637,
zaakdoende te 6235 NS Ulestraten, Bamfordweg 1,
- hierna te noemen: Jomed.
Verloop van de procedure
Bij tussenbeschikking van 31 januari 2007 heeft de rechterbank opposanten ontvankelijk verklaard in hun verzet en de zaak verwezen naar de openbare zitting van 7 maart 2007 voor voortzetting van de behandeling van het verzetschrift.
Tijdens de verificatieprocedure voorafgaande aan deze voortgezette behandeling is de door opposanten ingediende vordering betwist door mr. F.H. van der Beek namens mr. R.J. Schimmelpenninck in diens hoedanigheid van curator in het faillissement van Jomed (verder de curator), mr. B.F.H. Rumora-Scheltema namens erkende schuldeisers 19, 20, 21 en 24, en mr. J.A. Voerman namens ADJO Corporation N.V. (erkende schuldeiser 18).
De rechter-commissaris heeft vervolgens de vordering van opposanten voor het volledige bedrag voorwaardelijk toegelaten en partijen verwezen naar een nader te bepalen terechtzitting van de rechtbank voor de renvooiprocedure.
Vervolgens is de rechtbank overgegaan tot de inhoudelijke behandeling van het verzetschrift.
Gronden van de beslissing
Nu opposanten ontvankelijk zijn en de vordering van opposanten voorwaardelijk is toegelaten, dient de rechtbank te beslissen op het door opposanten ingediende verzet.
Omdat de vordering van opposanten voorwaardelijk is toegelaten, hetgeen leidt tot wijziging van de tussentijdse uitdelingslijst, kan het verzet in beginsel gegrond worden verklaard.
Gebleken is echter dat tegen genoemde tussenbeschikking beroep in cassatie is ingesteld bij de Hoge Raad en dat op dit cassatieberoep ten tijde van de behandeling ter terechtzitting van het verzetschrift nog niet is beschikt. Evenals in dagvaardingszaken geldt dat een beroep in cassatie tegen een beschikking op een rekest schorsende kracht heeft, zodat de verdere behandeling van de zaak geen doorgang behoort te vinden.
De erkende schuldeisers 18,19, 20, 21 en 24 hebben aangegeven dat zij belang hebben bij een einduitspraak op het verzetschrift, aangezien de feitelijke uitdeling op grond van de tussentijdse uitdelingslijst daarvan afhankelijk is, en hebben de rechtbank verzocht zo spoedig mogelijk een eindbeschikking te geven, ook als dat inhoudt dat uitspraak wordt gedaan voordat de Hoge Raad in genoemd cassatieberoep een beschikking heeft gegegeven. De overige partijen hebben zich daartegen niet verzet.
Alhoewel het belang van de erkende schuldeisers 18, 19, 20, 21 en 24 bij snelle uitkering aanwezig is en het ook praktisch vrijwel zonder risico lijkt om de uitdelingslijst thans aan te passen opdat uitgekeerd kan worden, kan gegrondverklaring van het verzet hangende het cassatieberoep niet plaatsvinden. Gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen over de schorsende kracht van een beroep in cassatie is het wijzen van een eindbeschikking, terwijl de procedure is geschorst, in strijd met het systeem van de wet.
De rechtbank zal gelet op het bovenstaande haar beslissing op het verzet aanhouden totdat de Hoge Raad een beschikking heeft gegeven in genoemd cassatieberoep. De meest gerede partij dient na uitspraak door de Hoge Raad de rechtbank zo spoedig mogelijk hierover te informeren. De zaak wordt daartoe pro forma aangehouden tot 27 juni 2007.
BESLISSING
De rechtbank:
- verwijst de zaak pro forma naar de openbare zitting van 27 juni 2007 te 09:30 uur.
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C. Hoogeveen, mr. L. Voetelink en mr. M.E.A. Braeken en in raadkamer uitgesproken op 21 maart 2007.