ECLI:NL:RBAMS:2007:BA3466
Rechtbank Amsterdam
- Kort geding
- J.A.J. Peeters
- Rechtspraak.nl
Opheffing van beslagen op aandelen Parvest in kort geding afgewezen na belangenafweging
Banque Artesia en Bewaarbedrijf Artesia vorderden in kort geding de opheffing van diverse beslagen op aandelen Parvest die zij als derdebeslagene onder zich hadden, mede op grond van een Luxemburgse uitspraak die hen verplichtte de aandelen af te geven. De vordering was gericht tegen meerdere partijen, waaronder KBC, de Belgische staat, de Nederlandse staat, Crédit Agricole, Paribas, en bestuurders van de failliete vennootschap L&H Holding.
De rechtbank stelde vast dat het conservatoir beslag door L&H Holding op de aandelen nietig was wegens faillissement en dat het beslag door De Rouck als curator op bestuurders niet summierlijk ondeugdelijk was. De Belgische staat beriep zich op immuniteit van jurisdictie, omdat het strafvorderlijk beslag een overheidshandeling betreft, en de voorzieningenrechter verklaarde zich onbevoegd ten aanzien van de vorderingen tegen de Belgische en Nederlandse staat.
Banque Artesia had geen spoedeisend belang bij opheffing van de beslagen, omdat zij ook schadeloosstelling kon bieden en de aandelen niet kon afgeven zolang andere beslagen bestonden. De belangenafweging viel daarom niet in haar voordeel uit. De vorderingen tot het als zekerheid onder zich houden van aandelen door Crédit Agricole en Paribas werden eveneens afgewezen wegens gebrek aan bevoegdheid van de Nederlandse rechter.
De voorzieningenrechter oordeelde dat Banque Artesia en Bewaarbedrijf Artesia de proceskosten moesten dragen en wees de overige gevraagde voorzieningen af. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De voorzieningenrechter wees de vordering van Banque Artesia tot opheffing van de beslagen af en verklaarde zich onbevoegd ten aanzien van de staten.