ECLI:NL:RBAMS:2007:BA4651

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 06-1870 WWB
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 WWBArt. 53a WWBArt. 8 EVRMArt. 10 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging bijstand wegens weigering medewerking onaangekondigd huisbezoek

Eiser ontving sinds 2001 bijstand en werd in het kader van het project 'Klant in Beeld' geconfronteerd met een verzoek tot medewerking aan een onaangekondigd huisbezoek aansluitend op een gesprek op 10 oktober 2005. Eiser weigerde dit huisbezoek zonder dringende reden, hoewel hij later aanbood op een later tijdstip mee te werken.

Verweerder beëindigde daarop de bijstand per 10 oktober 2005 en verklaarde het bezwaar van eiser ongegrond. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht twijfelde aan de woonsituatie van eiser, mede omdat bankafschriften op een ander adres werden ontvangen en er aanwijzingen waren van een te hoog vermogen.

De rechtbank bevestigt dat een onaangekondigd huisbezoek een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer kan vormen, maar dat dit gerechtvaardigd kan zijn bij een specifieke aanleiding. Eiser had geen dringende reden om het huisbezoek te weigeren en de medewerkingsplicht volgens artikel 17 WWB Pro is geschonden.

Daarom was het beëindigen van de bijstand rechtmatig en het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de beëindiging van de bijstand wegens weigering medewerking aan een onaangekondigd huisbezoek wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam
Sector Bestuursrecht Algemeen
meervoudige kamer
UITSPRAAK
in het geding met reg.nr. AWB 06/1870 WWB
tussen:
[eiser], wonende te Amsterdam,
eiser,
vertegenwoordigd door mr. M.E. Zweers,
en:
het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. M. Diderich.
1. PROCESVERLOOP
De rechtbank heeft op 5 april 2006 een beroepschrift ontvangen, gericht tegen het besluit van verweerder van 23 februari 2006 (hierna aangeduid als: het bestreden besluit).
Het onderzoek is gesloten ter zitting van 30 januari 2007.
2. OVERWEGINGEN
Eiser heeft vanaf 11 mei 2001 bijstand ontvangen in de noodzakelijke kosten van het bestaan naar de norm voor een alleenstaande. In het kader van het project “Klant in Beeld” hebben twee van verweerders medewerkers op 5 en 7 oktober 2005 getracht een onaangekondigd huisbezoek af te leggen aan het door eiser opgegeven woonadres [adres]. Omdat eiser in beide gevallen niet thuis was, is hij schriftelijk uitgenodigd voor een gesprek op 10 oktober 2005. In dit gesprek heeft verweerder eiser meegedeeld aansluitend op het gesprek een huisbezoek te willen afleggen aan het door eiser opgegeven woonadres. Dit heeft eiser geweigerd. Wel bood hij aan om op een later tijdstip mee te werken aan een huisbezoek. Bij besluit van 9 november 2005 heeft verweerder vervolgens de aan eiser verleende bijstand per 10 oktober 2005 beëindigd. Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat eiser niet wilde meewerken aan een direct aansluitend op het gesprek op 10 oktober 2005 noodzakelijk geacht huisbezoek. Als redenen om op deze wijze een onaangekondigd huisbezoek af te leggen heeft verweerder aangevoerd dat eiser reeds twee keer eerder niet thuis was en er twijfel bestond of eiser wel op het opgegeven adres woont, nu hij zijn bankafschriften - zo was uit het voorafgaande onderzoek gebleken - op een ander adres liet bezorgen. Daarnaast was uit een belastingsignaal gebleken dat eiser meerdere bankrekeningen heeft, waarop enkele jaren geleden een saldo stond dat de voor hem geldende vermogensgrens overschreed.
Eiser stelt dat een huisbezoek niet noodzakelijk was. Hij acht de door verweerder opgegeven redenen geen grond voor een (onmiddellijk) huisbezoek. Een huisbezoek ziet op de woonsituatie en voor wat betreft verweerders vermoeden dat hij over een te groot vermogen beschikte heeft hij aangeboden duplicaten van desbetreffende bankafschriften op te vragen en aan verweerder te verstrekken. De omstandigheid dat hij op 5 en 7 oktober 2005 niet thuis was en het gegeven dat zijn bankafschriften op een afwijkend adres worden bezorgd, vormen geen grond voor een huisbezoek. Voorts stelt eiser dat hij een huisbezoek niet heeft geweigerd, maar dat hij slechts heeft aangeboden op een later tijdstip die dag af te spreken.
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder het besluit om eisers recht op bijstand met ingang van 10 oktober 2005 te beëindigen, terecht heeft gehandhaafd en overweegt daartoe als volgt.
In artikel 17, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is belanghebbende verplicht aan het college desgevraagd medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. Inherent aan de verplichting is voorts het meewerken aan controle en verificatie door het bestuursorgaan dat met de uitvoering en controle van de WWB is belast.
Artikel 53a, tweede lid, van de WWB bepaalt dat het college bevoegd is onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft kan het college besluiten tot herziening van de bijstand.
Voor het beoordelen van (het voortzetten van) het recht op bijstand is het noodzakelijk dat verweerder inzicht heeft in, onder meer, de woon- en leef- en financiële situatie van de bijstandsgerechtigde.
Indien de belanghebbende zijn inlichtingenverplichting niet of in onvol-doende mate nakomt, is dat blijkens vaste jurisprudentie een rechts-grond voor weigering of beëindiging van de bijstand wanneer door de schending van die rechtsplicht het recht op bijstand niet of niet langer kan worden vastge-steld.
Bij de beoordeling van de inlichtingen- en medewerkingsverplichting neemt de Centrale Raad van Beroep (CRvB) naar vaste jurisprudentie tot uitgangspunt dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer niet onevenredig mag zijn aan het met het onderzoek van de verlangde gegevens nagestreefde doel en dat dit doel niet op een minder ingrijpende wijze kan worden bereikt.
Zoals de CRvB reeds heeft overwogen in zijn – nog onder de werking van de Abw tot stand gekomen – uitspraak van 22 augustus 1995 (gepubliceerd in RSV 1996/86, LJN: ZB6026), vormt een onaangekondigd huisbezoek ter vaststelling of het recht op uitkering bestaat een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM en artikel 10, eerste lid, van de Grondwet. Indien de bijzondere omstandigheden van het geval dit noodzakelijk maken, kan deze inbreuk echter gerechtvaardigd zijn op grond van artikel 8, tweede lid, van het EVRM, terwijl ook artikel 10, eerste lid, van de Grondwet zich daartegen niet verzet. De CRvB heeft deze visie bevestigd in de uitspraak van 7 maart 2005 (gepubliceerd in JB 2005/154, LJN: AT1644).
De rechtbank constateert dat de jurisprudentie van de CRvB met betrekking tot onaangekondigde huisbezoeken in het algemeen betrekking heeft op noodzakelijk te achten huisbezoeken in het kader van bovengenoemde uitvoering en controle. Hierbij duidt het begrip “noodzakelijk”, naar de rechtbank concludeert, op de situaties waarin een specifieke aanleiding bestaat voor de inzet van het middel van huisbezoek. Die aanleiding kan bestaan uit aanwijzingen omtrent mogelijke (verzwegen) omstandigheden die relevant zijn voor het vaststellen van het recht.
Met betrekking tot de keuze voor de inzet van het middel van huisbezoek in dit geval overweegt de rechtbank dat in dit geval een objectieve grond bestond om te twijfelen aan eisers woonsituatie. Eiser ontving immers zijn bankafschriften op een ander adres, voor welke omstandigheid hij geen valide reden heeft opgegeven. Daarmee bestond een specifieke aanleiding voor de inzet van het middel van een onaangekondigd huisbezoek. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat gecontroleerd moest worden of eiser zijn bankafschriften ook op het opgegeven woonadres bewaarde. In beginsel is een belanghebbende verplicht zijn medewerking te verlenen aan de onmiddellijke uitvoering van een huisbezoek en is een bestuursorgaan, gelet op de mogelijkheid om de woonsituatie in de tussenliggende tijd te wijzigen, niet gehouden te bewilligen in een verzoek om het huisbezoek uit te stellen. Alleen een zeer dringende reden die aan de onmiddellijke uitvoering van een huisbezoek in de weg staat, kan een rechtvaardigingsgrond vormen voor het door een belanghebbende niet verlenen van de vereiste medewerking.
Uit het verslag van het gesprek van donderdag 10 oktober 2005 dat om 12.15 uur plaatsvond blijkt dat eiser expliciet en zonder opgave van reden heeft geweigerd mee te werken aan een aansluitend huisbezoek; een dringende reden heeft hij niet opgegeven. Pas op 21 februari 2006 heeft eiser verklaard dat hij op 10 oktober 2005 een telefonische afspraak had om medicatie te krijgen. Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard dat dit met een arts uit Amerika was. De rechtbank acht het echter, gelet op het feit dat eiser dit eerst in een laat stadium meedeelt en mede gezien het tijdsverschil met Amerika, niet aannemelijk dat eiser op 10 oktober 2005 tussen 13.00 uur en 14.00 uur een doktersafspraak had.
De omstandigheid dat eiser in het gesprek op 10 oktober 2005 heeft verklaard dat hij wel wilde meewerken aan een huisbezoek om 14.00 uur, betekent naar het oordeel van de rechtbank overigens niet dat hij verweerders gerechtvaardigde verzoek om aansluitend aan het gesprek de woning te bezoeken niet heeft geweigerd.
Eisers grief dat de medewerkers hem bij het huisbezoek hadden moeten toelichten wat de reden was voor het huisbezoek, faalt. Een onderzoeksambtenaar is niet verplicht voorafgaand daaraan en in extenso de redenen voor een huisbezoek met betreffende bijstandsgerechtigde te bespreken. Daarbij komt dat eiser, zoals hierboven overwogen, toestemming heeft gegeven voor een huisbezoek- op een later tijdstip -, zodat hij kennelijk zelf ook de summierlijk door de onderzoeksambtenaar opgegeven reden voldoende heeft geacht.
Naar het oordeel van de rechter heeft verweerder kunnen concluderen dat eiser de op hem rustende medewerkingsplicht zoals neergelegd in artikel 17, eerste lid, van de WWB, heeft geschonden. Dit betekent dat voortzetting van het recht op bijstand niet was vast te stellen. Verweerder kon dan ook de aan eiser verleende bijstand per 10 oktober 2005 beëindigen.
Hert beroep van eiser is ongegrond.
Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.
Beslist wordt als volgt.
3. BESLISSING
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 13 maart 2007 door mr H.G. Schoots, voorzitter
en mrs. T. van Muijden en, P.H. Banda rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H. van Hoeven, griffier,
en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.
de griffier bij afwezigheid van de voorzitter
tekent de oudste rechter
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.
Afschrift verzonden op:
DOC: B