ECLI:NL:RBAMS:2007:BA5008
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M. van Hees
- Rechtspraak.nl
Opeisbaarheid legitieme portie bij nalatenschap met ouderlijke boedelverdeling
De zaak betreft een geschil over de nalatenschap van erflater die in 2001 overleed. Erflater had bij testament van 1993 een ouderlijke boedelverdeling getroffen waarbij zijn tweede echtgenote en drie kinderen tot erfgenamen werden benoemd. De kinderen kregen een vordering op de echtgenote die pas opeisbaar zou zijn na haar overlijden, tenzij de legitieme portie door het uitstel werd aangetast.
De zoon (A) heeft het testament niet bekrachtigd en vordert betaling van zijn legitieme portie, stellende dat deze opeisbaar is omdat het uitstel de legitieme portie schaadt. De echtgenote (B) betwist dit en stelt dat A in het testament heeft berust en dat de vordering pas na haar overlijden opeisbaar is. Tevens beroept zij zich op het nieuwe erfrecht en haar financiële situatie.
De rechtbank oordeelt dat op grond van het oude erfrecht, dat van toepassing is op de nalatenschap, de legitieme portie opeisbaar is indien het uitstel de legitieme schaadt. De financiële positie van B is voldoende om de vordering nu te voldoen en er is geen reden het uitstel in stand te houden. De vordering van A wordt daarom toegewezen, inclusief wettelijke rente vanaf dagvaarding en buitengerechtelijke kosten. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de echtgenote tot betaling van de legitieme portie aan de zoon, inclusief rente en kosten, en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.