ECLI:NL:RBAMS:2007:BA9602

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
13/994289-06
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 23 WEDArt. 24c Sr
Verwijzingen
20 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor gebruik van visnetten met te kleine mazen in de Nederlandse visserijzone

Op 13 december 2005 heeft verdachte als schipper van een Nederlands vissersschip in de Nederlandse visserijzone gevist met visnetten waarin voorzieningen waren aangebracht die de mazen konden verkleinen, zogenoemde binnenkuilen. Dit is in strijd met artikel 4 van Pro de Visserijwet 1963.

De verdediging voerde aan dat de opsporingsambtenaren niet bevoegd waren om het schip te vorderen en te betreden op grond van artikel 23 WED Pro, en dat het bewijs daarom uitgesloten moest worden. De rechtbank oordeelde dat er voorafgaand aan de vordering onvoldoende aanwijzingen waren voor een overtreding van de visserijwet en dat de vordering tot stoppen van het schip niet rechtmatig was. Wel was er sprake van een vormverzuim bij het betreden van het schip zonder voorafgaande vordering, maar dit leidde niet tot bewijsuitsluiting.

De rechtbank verklaarde verdachte vrij van de eerste ten laste gelegde overtreding, maar achtte bewezen dat verdachte meerdere malen het voorschrift van artikel 4 Visserijwet Pro 1963 had overtreden door gebruik van binnenkuilen. De feiten zijn strafbaar en er is geen rechtvaardigingsgrond. Verdachte is strafbaar en wordt veroordeeld tot tweemaal een geldboete van €5.000, waarvan €2.500 per boete voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De rechtbank motiveert de straf door de ernst van de overtreding, het gevaar voor de vispopulatie en de oneerlijke concurrentiepositie die verdachte zich verschaft. De opgelegde boetes zijn mede bedoeld als speciaal preventieve maatregel om toekomstige overtredingen te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot tweemaal een geldboete van €5.000, waarvan €2.500 per boete voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, wegens het gebruik van visnetten met te kleine mazen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: 13/994289-06
Datum uitspraak: 29 juni 2007
op tegenspraak,
VERKORT VONNIS
van de economische politierechter in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres
[adres].
De economische politierechter heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 juni 2007.
1. Telastelegging
Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.
2. Voorvragen
3. Waardering van het bewijs
3.1 Beoordeling van de bewijsverweren
De raadsman heeft ten verwere gevoerd dat – zakelijk weergegeven – de ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst niet bevoegd waren op basis van artikel 23 WED Pro een vordering tot het stoppen van de [naam vaartuig], zijnde het vaartuig waarvan verdachte schipper was, te doen alsmede dat zij niet zonder voorafgaande vordering of verzoek de [naam vaartuig] hadden mogen betreden. Bewijsmateriaal dat nadien op de [naam vaartuig] zou zijn aangetroffen, zou op grond van dit laatste vormverzuim moeten worden uitgesloten van het bewijs. Naar het oordeel van de raadsman dient een en ander te leiden tot vrijspraak van beide ten laste gelegde feiten.
De economische politierechter overweegt dienaangaande als volgt.
Uit het dossier blijkt dat de vordering tot het stoppen van de [naam vaartuig] is gedaan op basis van artikel 26 WED Pro (de economische politierechter begrijpt: artikel 23 WED Pro). Het is vaste jurisprudentie dat de bevoegdheden van artikel 23 WED Pro rechtens kunnen worden uitgeoefend zodra er sprake is van aanwijzingen dat de in de artikelen 1 en 1a WED opgenomen wettelijke bepalingen zijn of worden overtreden. Van het bestaan van een dergelijke aanwijzing dat de visserijwetgeving was overtreden voorafgaande aan het doen van de vordering, blijkt in het onderhavige geval echter niet. De enkele constatering van de opsporingsambtenaren dat de [naam vaartuig] kennelijk vissende was geweest, levert die aanwijzing niet op, ook niet indien ervan moet worden uitgegaan dat de opsporingsambtenaren ervan op de hoogte waren dat de eigenaar van de [naam vaartuig] eerder de visserijregelgeving had overtreden. Hieruit volgt dat de vordering zoals die door de opsporingsambtenaren is gedaan niet rechtmatig was en niet noopte tot medewerking van verdachte. De verdachte dient mitsdien van het onder 1 ten laste gelegde te worden vrijgesproken. Gelet hierop behoeft het verweer van de raadsman betreffende de niet-inachtneming van de beschikking herkenning en stoptekens visserij-inspectie ter zee van 21 maart 1989 geen bespreking.
Met de raadsman is de economische politierechter voorts van oordeel dat de opsporingsambtenaren, alvorens de [naam vaartuig] te betreden, toegang tot het vaartuig hadden dienen te verzoeken of te vorderen. Aangezien zij dit hebben nagelaten, is er sprake van een (onherstelbaar) vormverzuim. Dit verzuim leverde echter een zeer beperkte inbreuk op de rechten van verdachte op, waarbij mede van belang is dat de opsporingambtenaren op basis van artikel 55 Visserijwet Pro 1963 in het kader van toezicht op de naleving van de visserijwetgeving de bevoegdheid hadden tot het vorderen van toegang tot het voertuig, aan welke vordering verdachte had moeten voldoen. Gelet hierop volstaat de economische politierechter met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan.
Voor zover door de raadsman voorts is aangevoerd dat de inbreuk op artikel 23 WED Pro tot bewijsuitsluiting moet leiden, faalt dit verweer. Verdachte heeft immers niet aan de – niet rechtmatige - vordering ex artikel 23 WED Pro voldaan, waaruit volgt dat het bewijsmateriaal niet door het verzuim van de opsporingsambtenaren is verkregen.
Voor zover voorts door de raadsman is betoogd dat de in het geding zijnde wettelijke regels zich uitsluitend richten tot de ondernemer en niet mede tot natuurlijke personen, treft het geen doel. Noch de bewoordingen noch de strekking van de onderhavige bepalingen bieden steun aan het standpunt van de raadsman. Dientengevolge heeft te gelden dat het conform artikel 51 van Pro het Wetboek van Strafrecht aan het Openbaar Ministerie is om te beslissen wie het vervolgt: de rechtspersoon, de natuurlijke persoon (al dan niet als leidinggevende of opdrachtgever) of beide.
3.2 De bewezenverklaring
De economische politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
2.
op 13 december 2005, op de Noordzee, als schipper van het
Nederlandse vissersschip genaamd "[naam]" voorzien van het
visserijregistratieteken "[naam vaartuig]", de zeevisserij heeft uitgeoefend in een positie gelegen buiten de territoriale wateren van Nederland, maar binnen de Nederlandse visserijzone, zoals genoemd in het Besluit van 23 november 1977 tot uitvoering van de artikelen 1,2 en 3 van de Machtigingswet instelling visserijzone, terwijl hij daarbij voorzieningen in visnetten had aangebracht die de mazen in enig deel van die netten konden verkleinen; immers had hij, verdachte, zowel in de stuurboordkuil als de bakboordkuil een zogenoemde binnenkuil aangebracht.
4. Het bewijs
De economische politierechter grondt zijn beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
5. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen en maatregelen
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd
- dat verdachte ter zake van het door hem onder 1 bewezengeachte feit zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen
- dat verdachte ter zake van de door hem onder 2 bewezengeachte feiten zal worden veroordeeld tot tweemaal een geldboete ter hoogte van € 5.000,-, waarvan een gedeelte, groot € 2.500,- voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
De bewezenverklaarde feiten zijn zeer ernstig. Door gebruik te maken van kuilen met aanmerkelijk te kleine mazen, wordt welbewust inbreuk gemaakt op de regelgeving die de vispopulatie beoogt te beschermen. Enkel voor eigen gewin op korte termijn, brengt verdachte de populatie en daarmee de toekomstige broodwinning van zichzelf en zijn collega-vissers in gevaar. Bovendien verschaft verdachte zich op illegale wijze een voordelige concurrentiepositie ten opzichte van vissers die zich wel aan de regels houden. De economische politierechter acht dan ook boetes van aanzienlijke omvang op zijn plaats. Uit speciaal preventieve overwegingen, derhalve ter voorkoming van toekomstige inbreuken door verdachte, zal een deel van die boetes voorwaardelijk worden opgelegd.
De hierna te noemen strafoplegging is voorts in overeenstemming met de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde feit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op
- de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c en 62 van het Wetboek van Strafrecht
- de artikelen 1 en 6 van de Wet op de economische delicten
- artikel 4 van Pro de Visserijwet 1963
- artikel 3 van Pro het Reglement zee- en kustvisserij 1977, en
- artikel 3 Regeling Pro technische maatregelen 2000.
De economische politierechter komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
9. Beslissing
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 is telastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.2 is aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:
Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 4 van Pro de Visserijwet 1963, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:
Veroordeelt verdachte tot tweemaal een geldboete ter hoogte van € 5.000 (vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal telkens te vervangen door hechtenis voor de tijd van 55 dagen.
Beveelt dat van deze geldboetes telkens het gedeelte van € 2.500 (tweeduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 27 dagen, niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten als de verdachte zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.M.J. Quaedvlieg, economische politierechter,
in tegenwoordigheid van mr. D. West, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de economische politierechter van
29 juni 2004.