ECLI:NL:RBAMS:2007:BB4614
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM wegens ernstige schending redelijke termijn artikel 6 EVRM
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor feiten die ruim tien jaar eerder waren gepleegd. De verdediging voerde aan dat de dagvaarding nietig was en dat de redelijke termijn was overschreden, wat niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (OM) tot gevolg moest hebben.
De rechtbank oordeelde dat hoewel de dagvaarding niet ongeldig werd verklaard, de ernstige overschrijding van de redelijke termijn volgens artikel 6 EVRM Pro een zodanige schending vormde dat het OM niet-ontvankelijk moest worden verklaard. De termijnoverschrijding bedroeg ruim zes jaar bovenop de wettelijke termijn van twee jaar.
De rechtbank nam mee dat de eerdere procedures niet tot een redelijke termijn konden worden gerekend en dat het OM onvoldoende voortvarend had gehandeld na verwijzing door het gerechtshof. Ook het feit dat verdachte pas tien jaar na de feiten voor het eerst werd verhoord en dat het dossier onvolledig was, versterkte het oordeel.
De rechtbank concludeerde dat hierdoor de beginselen van behoorlijke procesorde waren geschonden en verdachte niet effectief gebruik kon maken van zijn verdedigingsrechten, waaronder het recht op het horen van getuigen. Daarom werd het OM niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens ernstige overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM.