ECLI:NL:RBAMS:2007:BC0869
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toestemming tot overlevering ondanks ne bis in idem-verweer bij Europees aanhoudingsbevel
De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering tot overlevering van een persoon aan Italië op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Openbaar Ministerie te Verona. De opgeëiste persoon was eerder in Nederland veroordeeld voor verkoop van cocaïne en voerde verweer op basis van het ne bis in idem-beginsel. De rechtbank onderzocht of de feiten waarvoor overlevering werd gevraagd materieel gelijk waren aan de feiten waarvoor reeds een straf was ondergaan.
De rechtbank betrok hierbij artikel 54 van Pro de Schengen Uitvoeringsovereenkomst en artikel 3 lid 2 van Pro het Kaderbesluit Europees aanhoudingsbevel, evenals recente jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Uit het onderzoek bleek dat de feiten in Italië (medeplegen van invoer van cocaïne) wezenlijk verschilden van de in Nederland bewezenverklaarde feiten (verkoop en aflevering van cocaïne). Er was geen sprake van dezelfde materiële feiten.
De rechtbank concludeerde dat het ne bis in idem-verweer niet slaagde en dat aan alle voorwaarden van de Overleveringswet was voldaan. De overlevering werd toegestaan, mede gelet op de garantie dat de opgeëiste persoon na overlevering het recht heeft op een eerlijk proces, inclusief hoger beroep en aanwezigheid bij de terechtzitting.
Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Italië toe en wijst het ne bis in idem-verweer af.