ECLI:NL:RBAMS:2007:BD0885

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
CV 07-4976
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding wegens te late betekening vonnis door deurwaarder

Eiser vordert schadevergoeding van de deurwaarder wegens het te laat betekenen van een vonnis en het daardoor mislopen van dwangsommen. Het vonnis verplichtte de tegenpartij werkzaamheden te voltooien op straffe van dwangsommen vanaf 1 oktober 2006. De deurwaarder betekende echter pas op 4 en 5 oktober 2006, waarna eiser schade claimde voor de periode 1 tot en met 4 oktober.

De rechtbank stelt vast dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat de te late betekening daadwerkelijk heeft geleid tot minder verbeurde dwangsommen of dat een eerdere betekening de voortgang van de werkzaamheden zou hebben versneld. Ook wordt geoordeeld dat de advocaat van eiser zich niet tijdig heeft ingespannen om de betekening te bespoedigen, waardoor eventuele schade niet aan de deurwaarder kan worden toegerekend.

Verder wordt erkend dat de deurwaarder terecht bezwaar maakte tegen de onjuiste benaming in de dagvaarding, maar het verzoek tot rectificatie wordt alsnog toegewezen. De vordering wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak is gedaan door kantonrechter O.J. van Leeuwen op 9 november 2007.

Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wegens te late betekening van het vonnis wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
SECTOR KANTON - LOCATIE AMSTERDAM
Kenmerk : CV 07-4976
Datum : 9 november 2007
178
Vonnis van de kantonrechter te Amsterdam in de zaak van:
[eiser]
gevestigd en kantoorhoudende te [adres]
eiser
gemachtigde: mr. F.T. Panholzer
t e g e n:
DEURWAARDERSKANTOOR [gedaagde] B.V.
gevestigd en kantoorhoudende te [adres]
gedaagde
verder te noemen: [gedaagde]
gemachtigde: A.F. Bakker
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
De volgende processtukken zijn ingediend:
- de dagvaarding van 13 februari 2007 inhoudende de vordering van [eiser]
- de conclusie van antwoord van [gedaagde] met bewijsstukken
Ingevolge tussenvonnis van 27 april 2007 zijn vervolgens nog ingediend:
- de conclusie van repliek van [eiser]
- de conclusie van dupliek van [gedaagde].
Daarna is vonnis bepaald.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Feiten
1. Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:
1.1. Tussen [eiser] aan de ene zijde en P&H Holding B.V. en Jusoma Holding B.V. (Jusoma c.s.) is een vonnis d.d. 9 augustus 2006 gewezen. Bij dat vonnis zijn in reconventie Jusoma c.s. veroordeeld tot het uitvoeren en uiterlijk op 31 augustus 2006 voltooien van werkzaamheden aan (onder meer) de woning van [eiser], dit op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat Jusoma c.s. hiermee geheel of gedeeltelijk in gebreke blijven.
1.2. Bij brief van 20 september 2006 heeft de advocaat van [eiser] (mr. Panholzer) onder meezending van de grosse van het onder 1.1 genoemde vonnis aan [gedaagde] verzocht om bedoeld vonnis te betekenen onder aanzegging van (verbeurte van) de dwangsom vanaf 1 oktober 2006.
1.3. Op 2 oktober 2006 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen een medewerker van [gedaagde] en mr. Panholzer, waarbij de onder 1.2 genoemde betekeningsopdracht ter sprake is gekomen.
1.4. Op 4 resp. 5 oktober 2006 heeft de verzochte betekening en aanzegging door [gedaagde] plaatsgevonden.
1.5. Tussen [eiser] en Jusoma c.s. is een schikking getroffen ten bedrage van € 3.500,00. Met deze schikking zijn Jusoma c.s. tegenover [eiser] gekweten voor een vordering van [eiser] op Jusoma c.s. van € 1.225,60 alsmede voor ten gevolge van de onder 1.4 bedoelde betekening verbeurde dwangsommen.
Vordering
2. [eiser] vordert gedaagde te veroordelen tot betaling van € 1.880,00 aan hoofdsom. [eiser] stelt dat [gedaagde] nalatig is geweest bij het betekenen van het vonnis en het doen van de verzochte aanzegging (zie 1.1 en 1.2). Door die nalatigheid zijn eerst vanaf 5 oktober 2006 dwangsommen verbeurd en niet vanaf 1 oktober 2006. Door [gedaagde]s nalatigheid heeft [eiser] dus voor de periode 1 tot en met 4 oktober 2006 een schade geleden van 4 niet te innen dwangsommen. Bovendien valt [gedaagde] te verwijten dat de schade niet tot 2 dagen c.q. € 1.000,00 beperkt is gebleven, omdat een medewerker van [gedaagde] op 2 oktober 2006 mr. Panholzer telefonisch de verzekering heeft gegeven dat ook zonder betekening op grond van de veroordeling in het vonnis dwangsommen zouden zijn verbeurd in plaats van met uiterste spoed de betekening alsnog, bijvoorbeeld nog diezelfde dag, te doen plaatsvinden. Nu [eiser] met Jusoma c.s. heeft geschikt op 94% van de wel verbeurde dwangsommen is het redelijk de schadevordering van € 2.000,00 op [gedaagde] ook tot dat percentage, dus tot € 1.880,00, te beperken, aldus [eiser].
Verweer
3. [gedaagde] verweert zich tegen deze vordering en voert ten eerste aan dat [eiser] een niet bestaande rechtspersoon heeft gedagvaard, namelijk Deurwaarders [gedaagde] B.V., terwijl haar kantoor staat ingeschreven als Deurwaarderskantoor [gedaagde] B.V. Voorts betwist [gedaagde] het bestaan van de gestelde schade aan verlies van dwangsommen, met als argument dat [eiser] onverplicht een schikking heeft getroffen en daardoor zelf heeft afgezien van het verbeuren van meer dwangsommen. Overigens betwist [gedaagde] dat de te late betekening aan haar te verwijten is.
Beoordeling
4. Uit het door [gedaagde] aangevoerde valt op te maken dat zij zich er goed van bewust is dat de benaming van de gedaagde partij in de dagvaarding op een verschrijving zijdens [eiser] berust. Dat betekent dat zij geen redelijke grond heeft zich tegen een rectificatieverzoek te verzetten. Hoewel [eiser] niet expliciet bij zijn repliek rectificatie verzoekt, zal in het feit dat hij in de kop van zijn repliek de juiste naam van [gedaagde] heeft vermeld, gelezen in samenhang met het onder 2 van de repliek gestelde, niettemin een verzoek tot rectificatie worden gelezen. Dit verzoek is mitsdien toewijsbaar.
5. [eiser] meent dat hij schade heeft geleden doordat [gedaagde] het onder 1.1 bedoelde vonnis niet tijdig heeft betekend, terwijl het volgens [eiser] [gedaagde] bovendien valt te verwijten dat zij, althans een van haar medewerkers, mr. Panholzer tijdens een telefoongesprek d.d. 2 oktober 2006 fout heeft geïnformeerd, waardoor de kans verloren ging om de schade te beperken. Over dat laatste wordt geoordeeld dat een advocaat die zich door zulke evident onjuiste informatie met een kluitje in het riet laat sturen, eventuele schade van zijn cliënt aan zichzelf te wijten heeft. Nu mr. Panholzer niet op 2 oktober 2006 heeft aangedrongen op onmiddellijke betekening van het vonnis, terwijl niet kan worden uitgesloten dat in dat geval [gedaagde] aan dat verzoek zou hebben voldaan, kan eventuele schade door betekening na 2 oktober 2006 alleen al om die reden niet door [eiser] op [gedaagde] worden verhaald.
6. Alvorens de gestelde nalatigheid aan de zijde van [gedaagde] te onderzoeken dient nu eerst nog komen vast te staan dat de betekening na 30 september 2006, in plaats van één of enkele dagen na 20 september 2006, tot minder verbeurde dwangsommen heeft geleid en zo ja tot hoeveel minder. Hiervoor zou om te beginnen door [eiser] aannemelijk moeten worden gemaakt dat wanneer de betekening van het vonnis en aanzegging van de dwangsom tijdig vóór 1 oktober 2006 zouden hebben plaatsgevonden er tussen [eiser] en Jusoma c.s. een schikking zou zijn getroffen voor een bedrag dat hoger zou zijn uitgevallen dan in werkelijkheid het geval is geweest.
7. Een dwangsom bevat een prikkel aan de veroordeelde partij tot voldoening aan de veroordeling. Dat geldt daarom temeer voor de betekening van het aan die dwangsommen ten grondslag liggende vonnis en aanzegging van de datum vanaf welke de dwangsommen feitelijk verbeurd zullen worden. Hierdoor valt niet uit te sluiten dat in het gegeven geval bij een betekening vóór 1 oktober 2006 Jusoma c.s. de werkzaamheden eerder dan 9 oktober 2006 tot voltooiing althans tot een voor [eiser] acceptabele staat zouden hebben gebracht. Nu [eiser] stelt dat er door te late betekening schade is geleden is het ook aan [eiser] om feiten en omstandigheden te stellen voor de aanname dat een eerdere betekening op de voortgang van de werkzaamheden geen of onvoldoende invloed zouden hebben gehad vergeleken met de inmiddels in werkelijkheid gebleken gang van zaken. [eiser] heeft aan deze stelplicht op geen enkele wijze voldaan.
8. Nu de gestelde schade niet is komen vast te staan kan in het midden blijven of en in hoeverre [gedaagde] bij het uitvoeren van de opdracht tot betekening als bedoeld onder 1.2 nalatig is geweest.
9. Uit het voorgaande vloeit voort dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen.
10. Gelet op de uitkomst van de procedure wordt [eiser] veroordeeld in de proceskosten.
BESLISSING
De kantonrechter:
I. wijst de vordering af;
II. veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op nihil;
III. verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Aldus gewezen door mr. O.J. van Leeuwen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 november 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter