Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Tenlastelegging
- bewerken (te weten: ontwateren en/of mengen) van bedrijfsafvalstoffen en/of
- het op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen,
Rechtbank Amsterdam
De zaak betreft een strafvervolging tegen een entiteit die geen natuurlijke persoon noch rechtspersoon is, maar een eenmansbedrijf dat niet voldoet aan de wettelijke vereisten voor dagvaarding volgens artikel 51 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Tijdens de regiezitting werd vastgesteld dat de officier van justitie de verkeerde entiteit had gedagvaard. De verdediging had geen bezwaar tegen de wijze van dagvaarding, maar de rechtbank stelde ambtshalve de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ter discussie.
De rechtbank oordeelde dat de dagvaarding niet ondubbelzinnig was gericht aan een natuurlijk persoon of een rechtspersoon zoals vereist. Hierdoor was de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging. De rechtbank baseerde zich hierbij op jurisprudentie van het Hof ’s-Gravenhage uit 1953.
De uitspraak werd op 3 november 2008 gedaan door de meervoudige economische strafkamer van de rechtbank Amsterdam, waarbij de officier van justitie niet-ontvankelijk werd verklaard.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het dagvaarden van een niet-relevante entiteit.