ECLI:NL:RBAMS:2008:BC3367
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak van medeplichtigheid aan schending ambtsgeheim in zaak lekken politie-informatie
De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak van drie verdachten die werden verdacht van medeplichtigheid aan het schenden van het ambtsgeheim door het lekken van vertrouwelijke politie-informatie. De kern van de zaak betrof twee cruciale momenten in oktober 2005 en januari 2006 waarbij vertrouwelijke informatie zou zijn overgedragen.
Tijdens het onderzoek bleek dat zonder het uitgesloten bewijs niet kon worden vastgesteld dat er daadwerkelijk sprake was van een overdracht van vertrouwelijke informatie. Dit leidde ertoe dat ook de medeplichtigheid van verdachte niet bewezen kon worden verklaard. De verdediging voerde aan dat verdachte geen wetenschap had van enig misdrijf en geen opzet had, wat door de rechtbank niet hoefde te worden beoordeeld gezien het gebrek aan bewijs.
Belangrijke bewijsmiddelen, zoals tap- en OVC-gesprekken, werden uitgesloten omdat deze onrechtmatig waren verkregen of omdat rechten van de verdachten waren geschonden. Hierdoor ontbrak het de rechtbank aan voldoende bewijs om tot een veroordeling te komen.
De rechtbank sprak verdachte dan ook vrij van het ten laste gelegde feit. De zaak benadrukt het belang van rechtmatig verkregen bewijs en het waarborgen van procesrechten in strafzaken.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs en uitsluiting van cruciaal bewijs.