ECLI:NL:RBAMS:2008:BC5888
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening opheffing beslag wegens ontbreken bewijsstukken
Verzoeker heeft na het indienen van een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een afzonderlijk verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Faillissementswet Pro, gericht op het opheffen van beslag. De rechtbank constateert dat het verzoek niet vergezeld gaat van schriftelijke bewijsstukken die aantonen dat de gestelde beslagen daadwerkelijk zijn gelegd. Hierdoor voldoet het verzoek niet aan de gestelde eisen en wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat de noodzaak tot het verlenen van de voorlopige voorziening onvoldoende is toegelicht. Verzoeker heeft geen overtuigende uitleg gegeven waarom de voorlopige voorziening noodzakelijk is, temeer daar verzoeker reeds een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend. Het feit dat verzoeker nog bezig is met het treffen van een minnelijke regeling, die de beslagen zou belemmeren, wordt niet nader toegelicht en is daardoor niet aannemelijk gemaakt.
De rechtbank besluit derhalve het verzoek tot voorlopige voorziening niet-ontvankelijk te verklaren. Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal in een apart vonnis worden behandeld.
Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van bewijsstukken en onvoldoende toelichting op de noodzaak van de voorlopige voorziening.