ECLI:NL:RBAMS:2008:BD6034
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling immuniteit gemeente Amsterdam bij strafrechtelijke vervolging
De gemeente Amsterdam voerde preliminair verweer dat zij strafrechtelijke immuniteit toekomt omdat de tenlastegelegde gedragingen bestuursverrichtingen betreffen die alleen door een openbaar lichaam kunnen worden verricht. De officier van justitie betwistte dit en stelde dat niet alle bestuurshandelingen immuniteit genieten, zeker niet als er sprake is van commerciële motieven.
De rechtbank overwoog dat volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad immuniteit alleen geldt voor gedragingen die naar hun aard en het wettelijk systeem uitsluitend door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht. Het subsidiaire tenlastegelegde betrof het verlenen van toestemming door de gemeente voor het terugpompen van gevaarlijke afvalstoffen, een zuivere bestuursverrichting. Daarom werd voor dit onderdeel immuniteit aangenomen en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Voor het primair tenlastegelegde, dat medeplegen van overtreding van artikel 10.37 Wm betrof, was niet duidelijk of dit uitsluitend bestuursverrichtingen omvatte. De officier van justitie stelde dat ook andere gedragingen zoals overleg en e-mails waren bedoeld. Zonder nader onderzoek kon de rechtbank dit niet beoordelen en verklaarde het verweer ontijdig. Het onderzoek naar het primair tenlastegelegde werd daarom voortgezet.
De rechtbank benadrukte dat gemeenten zich aan de wet moeten houden en verantwoording afleggen aan democratisch gekozen organen, maar dat niet iedere gedraging strafrechtelijk kan worden vervolgd. De beslissing bevestigt de grenzen van immuniteit voor openbare lichamen binnen het strafrecht.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard voor het subsidiaire tenlastegelegde wegens immuniteit van de gemeente Amsterdam, terwijl het onderzoek naar het primair tenlastegelegde wordt voortgezet.