ECLI:NL:RBAMS:2008:BE9247

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
994440-07
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 Wetboek van Strafrecht (oud)Art. 51 Wetboek van StrafrechtArt. 1 Wet verontreiniging oppervlaktewaterenArt. 1a Wet op de economische delicten (oud)Art. 6 Wet op de economische delicten
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling gemeente Amsterdam voor illegale lozing afvalwater in oppervlaktewater

De gemeente Amsterdam werd beschuldigd van het op of omstreeks 23 januari 2007 zonder vergunning lozen van afvalwater in het Noordzeekanaal via een vast aangebrachte pijp vanaf de Ankerweg. De rechtbank achtte bewezen dat de gemeente opzettelijk afvalwater heeft geloosd zonder vergunning, waarbij ook schoon regenwater als afvalstof in de zin van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) werd beschouwd.

De verdediging betwistte de juistheid van de monsterneming en de vergelijking met achtergrondwaarden, maar de rechtbank stelde dat dit niet relevant was omdat hemelwater dat men wil lozen als afvalwater wordt aangemerkt, ongeacht de mate van verontreiniging. Tevens werd een beroep op overmacht afgewezen omdat de gemeente al langere tijd beheerder was en de weersomstandigheden voorzienbaar waren. Het nalaten van overleg met Rijkswaterstaat werd als verwijtbaar beschouwd.

De rechtbank legde een geldboete van €2.500 op, rekening houdend met de ernst van het feit, de omstandigheden en de draagkracht van de gemeente. De gemeente werd strafbaar verklaard voor overtreding van artikel 1 lid 1 van Pro de Wvo en andere relevante strafrechtelijke bepalingen. De rechter benadrukte de voorbeeldfunctie van de gemeente als publiekrechtelijk lichaam.

Uitkomst: De gemeente Amsterdam is veroordeeld tot een geldboete van €2.500 voor het zonder vergunning lozen van afvalwater in het Noordzeekanaal.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: 13/994440-07
Datum uitspraak: 25 augustus 2008
op tegenspraak
VERKORT VONNIS
van de economische politierechter in de rechtbank Amsterdam in de strafzaak tegen
GEMEENTE AMSTERDAM,
gevestigd op het adres [adres].
De economische politierechter heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 augustus 2008.
1. Telastelegging
Aan verdachte is telastegelegd dat hij:
op of omstreeks 23 januari 2007 te Amsterdam op of vanaf de Ankerweg, al dan niet opzettelijk, zonder vergunning, met behulp van een werk, te weten een (vast aangebrachte) pijp, afvalwater, in elk geval afvalstoffen en/of verontreinigende en/of schadelijke stoffen, heeft gebracht in het water van het Noordzeekanaal, in elk geval in een oppervlakte water;
2. Voorvragen
3. Waardering van het bewijs
De economische politierechter acht bewezen dat verdachte op 23 januari 2007 te Amsterdam vanaf de Ankerweg opzettelijk zonder vergunning met behulp van een werk, te weten een vast aangebrachte pijp, afvalwater heeft gebracht in het water van het Noordzeekanaal.
4. Het bewijs
4.1.
De economische politierechter grondt zijn beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
4.2.
Ter terechtzitting heeft de gemachtigde van de verdachte aangevoerd dat het de vraag is of sprake is van overtreding van artikel 1 lid 1 Wet Pro verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo), kort gezegd, omdat het afgevoerde regenwater afkomstig is van een schoon of slechts licht verontreinigd oppervlak. In dat kader heeft de gemachtigde van de verdachte betwist dat het monster juist is genomen en betwist dat vergelijking tussen een monster genomen in 2007 en het gemiddelde van de achtergrondwaarden uit 2001, 2002 en 2003 toelaatbaar is.
De economische politierechter overweegt dienaangaande het volgende.
Artikel 1 lid 1 Wvo Pro verbiedt het met behulp van een werk zonder vergunning in het oppervlaktewater brengen van afvalstoffen.
Onder afvalstof in de zin van de Wvo moet ook worden verstaan afvalwater. Hemelwater waarvan de houder zich wenst te ontdoen moet worden aangemerkt als afvalwater, ook als dat water niet of slechts in beperkte mate is verontreinigd. In het midden kan dus blijven of de monsterneming aan de daaraan te stellen eisen heeft voldaan, omdat in ieder geval sprake is van afvalwater in de zin van de Wvo, dat niet zonder vergunning door middel van een werk op het oppervlaktewater mag worden geloosd.
5. De strafbaarheid van het feit
Ter terechtzitting heeft de gemachtigde van verdachte aangevoerd dat sprake was van een overmachtsituatie. Op de weg, waaronder het werk was aangelegd, zou zonder aanleg van dat werk een gevaarlijke situatie ontstaan. Op zeer korte termijn zou zoveel neerslag vallen en tegelijkertijd vorst optreden, dat gladheid op de weg op een andere manier niet te voorkomen was.
De economische politierechter verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
Verdachte was al langere tijd beheerder van de weg. Regen en vorst zijn in de maand januari niet ongebruikelijk en dus voorzienbaar. Dat verdachte voor een ad hoc-situatie kwam te staan is derhalve, zo al aan de orde, aan verdachte zelf te wijten.
Bovendien had het in de rede gelegen om telefonisch contact op te nemen met Rijkswaterstaat voor overleg.
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is ook overigens niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen en maatregelen
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezengeachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 2.500,--.
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
Ter terechtzitting heeft de gemachtigde van verdachte verzocht om, gezien bijzondere omstandigheden van het geval en de geringe ernst van het feit, geen, dan wel een lagere straf op te leggen.
Gezien de verdere inhoud van dit vonnis zijn de economische politierechter geen omstandigheden gebleken die een mildere straf rechtvaardigen dan hetgeen in vergelijkbare zaken wordt opgelegd. De politierechter weegt in dit verband voorts mee dat de gemachtigde van verdachte ter terechtzitting weliswaar heeft verklaard uit deze strafzaak lering te hebben getrokken en voortaan telefonisch contact met Rijkswaterstaat te zullen opnemen, maar tegelijkertijd ook heeft verklaard in voorkomende gevallen opnieuw te zullen handelen zoals in dit geval is gedaan.
Daar komt bij dat verdachte als publiekrechtelijk lichaam een voorbeeld functie heeft.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23(oud) en 51 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 1 van Pro de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de artikelen 1a(oud) en 6 van de Wet op de economische delicten.
De economische politierechter komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
9. Beslissing
Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 1, eerste lid van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, Gemeente Amsterdam, daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 2.500,-- (tweeduizend vijfhonderd euro).
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.H. Marcus, economische politierechter,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 augustus 2008.