ECLI:NL:RBAMS:2008:BF3973
Rechtbank Amsterdam
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Betaling en aansprakelijkheid bij mondelinge volmacht en schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid
In deze civiele procedure vordert de Postbank betaling van openstaande schulden op een doorlopend krediet en creditcardfaciliteiten. A betwist het aangaan van deze overeenkomsten en stelt dat B zonder zijn medeweten handelde. De rechtbank beoordeelt de verklaringen van beide partijen en het bewijs.
De rechtbank stelt vast dat er geen bewijs is voor een mondelinge volmachtverlening door A aan B voor het aangaan van de kredietovereenkomsten. Wel is aannemelijk dat A de creditcardovereenkomst heeft bekrachtigd door het tekenen van een creditcardbetaling tijdens een vakantie in Thailand en door het gebruik van de creditcard. Voor het doorlopend krediet is geen bekrachtiging of schijn van volmacht vastgesteld.
De rechtbank veroordeelt A tot betaling van de creditcardschuld met rente, wijst de vordering voor het doorlopend krediet af, en veroordeelt A tot betaling van de debetstand op de girorekening. Daarnaast wijst zij de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en schadevergoeding af. A wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: A wordt veroordeeld tot betaling van de creditcardschuld en debetstand op de girorekening, maar de vordering voor het doorlopend krediet wordt afgewezen.