ECLI:NL:RBAMS:2008:BG1546

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 06-1241 WWB
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:15 AwbArt. 7:1a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van verzoek om woonkostentoeslag en schadevergoeding bij bijstandsuitkering

Eiser, een bijstandsontvanger sinds april 2003, diende in juli 2003 een aanvraag in voor bijzondere bijstand voor woonkosten. Na het uitblijven van de woonkostentoeslag klaagde eiser in maart 2004 en verzocht om schadevergoeding wegens dakloosheid. Verweerder wees dit verzoek in februari 2005 af, stellende dat geen aanvraag was ingediend en geen onrechtmatig besluit was genomen.

In het bestreden besluit van januari 2006 bevestigde verweerder de afwijzing van de schadevergoeding en de woonkostentoeslag. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit tevens een primair besluit op de aanvraag woonkostentoeslag bevat, namelijk een afwijzing daarvan, die nog niet onherroepelijk is.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen de afwijzing van de toeslag ten onrechte als beroepschrift is aangemerkt en dat dit als bezwaarschrift moet worden behandeld. Daarom zendt de rechtbank het door eiser ingestelde rechtsmiddel terug aan verweerder voor heroverweging. De rechtbank onderzoekt de rechtmatigheid van de afwijzing van de toeslag niet in deze procedure en verklaart het beroep ongegrond wegens het ontbreken van een onrechtmatig besluit. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van woonkostentoeslag en schadevergoeding wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam
Sector Bestuursrecht Algemeen
enkelvoudige kamer
UITSPRAAK
In het geding met reg.nr. AWB 06/1241 WWB
van:
[eiser] wonende te Amsterdam,
eiser,
tegen:
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. J.M. Nijman.
1. PROCESVERLOOP
De rechtbank heeft op 2 maart 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 19 januari 2006 (hierna: het bestreden besluit).
Het onderzoek is gesloten ter zitting van 1 februari 2008.
2. OVERWEGINGEN
Eiser is met ingang van 9 april 2003 een bijstandsuitkering toegekend. Op 9 juli 2003 heeft eiser een aanvraag voor bijzondere bijstand ten behoeve van zijn woonkosten gedaan. Wegens het uitblijven van de verstrekking van de zogenoemde woonkostentoeslag heeft eiser op 10 maart 2004 bij verweerder een klacht ingediend alsmede een verzoek om schadevergoeding, omdat eiser bij gebreke van de woonkostentoeslag dakloos is geworden, aldus eiser.
Bij besluit van 3 februari 2005 heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Hierbij heeft verweerder overwogen dat niet is gebleken dat eiser een aanvraag voor de woonkostentoeslag heeft ingediend, en dat ook overigens niet is gebleken dat in verband met de woonkostentoeslag een onrechtmatig besluit is genomen.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en het besluit van 3 februari 2005 gehandhaafd. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt vast dat eerst met het bestreden besluit verweerder heeft erkend dat sprake was van een aanvraag om bijzondere bijstand. Ter zitting heeft verweerder in dit verband tevens gesteld dat op deze aanvraag nog geen besluit is genomen.
De rechtbank stelt voorts vast dat het bestreden besluit wel een motivering bevat op grond waarvan de aanvraag om de woonkostentoeslag door verweerder wordt afgewezen. De rechtbank merkt dit deel van het bestreden besluit derhalve aan als een (primair) besluit op de aanvraag, te weten een afwijzing daarvan. Dit betekent dat het beroep van eiser zich richt tegen de gevolgen van een primair besluit, dat nog niet onaantastbaar is.
Thans is de afwijzing van de woonkostentoeslag onaangetast. In dit verband wijst de rechtbank er evenwel op dat het beroepschrift tevens gronden bevat tegen het primaire besluit, zodat het te dien aanzien ten onrechte als beroepschrift is aangemerkt. Nu het door eiser ingestelde rechtsmiddel tevens moet worden opgevat als een bezwaarschrift, zal de rechtbank onder toepassing van artikel 6:15 van Pro de Awb, zorg dragen voor doorzending aan verweerder ter heroverweging.
Een onderzoek naar de rechtmatigheid van het besluit tot afwijzing van de woonkostentoeslag acht de rechtbank in het kader van dit geding dan ook niet aangewezen. Daarmee zou het uitgangspunt in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat, alvorens de rechter om een oordeel kan worden gevraagd, eerst in de bezwaarschriftprocedure een heroverweging dient plaats te vinden, tekort worden gedaan. Daarbij overweegt de rechtbank dat een verzoek tot toepassing van artikel 7:1a van de Awb en daarmee een behandeling in rechtstreeks beroep niet is gedaan.
Onder deze omstandigheden dient de rechtbank in dit geding van de rechtmatigheid van de afwijzing uit te gaan. Bij gebreke van een onrechtmatig besluit zal het beroep ongegrond worden verklaard.
Ter voorlichting van eiser merkt de rechtbank in dit verband op dat hiermee niet is gezegd dat in een later stadium (bijvoorbeeld na de behandeling van eisers bezwaren tegen de afwijzing van de woonkostentoeslag) geen nieuw verzoek om schadevergoeding zou kunnen worden gedaan.
Gelet op het bovenstaande kan het beroep niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling in vergoeding van het betaalde griffierecht, danwel proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
3. BESLISSING
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
Deze uitspraak is gedaan op 3 maart 2008 door mr. C.G. Meeder, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H. Verhoeven, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.
De griffier, De rechter,
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.
Afschrift verzonden op:
DOC: B