ECLI:NL:RBAMS:2008:BH2896
Rechtbank Amsterdam
- Kort geding
- M.Y.C. Poelmann
- Rechtspraak.nl
Vordering tot afgifte minderjarige en omgangsregeling na wijziging verblijfplaats
De vader vordert in kort geding de afgifte van zijn minderjarige dochter, die sinds november 2007 bij de moeder verblijft, met een beroep op het blokkaderecht ex artikel 1:253s BW. Het gezag rust bij de moeder. De vader stelt dat de dochter van februari 2006 tot november 2007 bij hem woonde en dat de moeder haar zonder overleg heeft teruggehaald.
De moeder voert verweer dat de dochter niet langer dan een jaar daadwerkelijk bij de vader heeft gewoond, mede omdat zij aanvankelijk bij de grootouders van de vader verbleef. Ook stelt zij dat het niet in het belang van het kind is om opnieuw van verblijfplaats en school te veranderen. De rechter oordeelt dat in kort geding onvoldoende vaststaat dat de vader de dochter langer dan een jaar heeft opgevoed en verzorgd, wat vereist is voor het blokkaderecht.
Zelfs indien dat het geval zou zijn, wordt de vordering afgewezen omdat de vader te lang heeft gewacht met het instellen van de procedure en het belang van het kind bij stabiliteit prevaleert. De subsidiaire vordering tot het vaststellen van een omgangsregeling wordt toegewezen, aangezien omgang met de vader in het belang van het kind is en de moeder hieraan zal meewerken. Een gevorderde informatieplicht wordt afgewezen wegens onvoldoende noodzaak.
De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De vordering tot afgifte van het kind wordt afgewezen, maar de omgangsregeling wordt toegewezen.