ECLI:NL:RBAMS:2008:BK8463

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 07-3264 AW
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.J. Polak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:10 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen ongegrondverklaring klacht intimiderend gedrag

Eiseres, werkzaam bij Stichting Waternet, diende een klacht in over intimiderend gedrag en machtsmisbruik door haar leidinggevende. De klachtencommissie verklaarde de klacht ongegrond, waarna verweerder het bezwaar tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaarde omdat het niet gericht was op rechtsgevolg en dus geen besluit in de zin van de Awb was.

De rechtbank oordeelde dat het besluit van 28 februari 2007 niet gericht was op rechtsgevolg en daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro vormde. Hierdoor was het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat er geen rechtsgevolg was en de klacht niet inhoudelijk kon worden beoordeeld.

De rechtbank stelde vast dat verweerder ten onrechte had gewezen op de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen het besluit, wat tot onnodige kosten leidde. Daarom werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan eiseres.

De uitspraak bevestigt dat een oordeel dat niet gericht is op rechtsgevolg geen besluit is in de zin van de Awb en dat bezwaar daartegen niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Sector Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 07/3264 AW
uitspraak van de enkelvoudige kamer
in de zaak tussen:
[eiseres],
wonende te [woonplaats],
eiseres,
gemachtigde mr. M.H. ten Have,
en
het bestuur van de Stichting Waternet, als rechtsopvolger van het bestuur van de Stichting Dienst Waterbeheer en het bestuur van Riolering Amsterdam, Amstel, Gooi en Vecht,
gevestigd te Amsterdam,
verweerder,
gemachtigde mr. P.A.S. Andela.
1. Procesverloop
Bij schrijven van 14 augustus 2007 heeft eiseres beroep ingesteld tegen de brief van 6 juli 2007. In de brief heeft de secretaris van de bezwarencommissie eiseres medegedeeld dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Bij besluit van 27 november 2007 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard (hierna: het bestreden besluit).
Het geding is, gevoegd met andere gedingen van eiseres, geregistreerd onder nummers AWB 07/1629 AW en AWB 07/1631 AW, behandeld ter zitting van 22 oktober 2008. Eiseres is in onderhavig geding in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.A.S. Andela, verbonden aan Vijverberg Juristen en [persoon 1], werkzaam bij verweerder. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst; thans wordt in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.
2. Overwegingen
Gelet op de inhoud en strekking van de brief van de secretaris van de bezwarencommissie van 14 augustus 2007 mocht eiseres, naar het oordeel van de rechtbank, redelijkerwijs menen dat het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar ten tijde van de indiening van haar beroepschrift reeds tot stand was gekomen. Nu aan de voorwaarde van artikel 6:10, eerste lid en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voldaan, zal de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb aan de schending van dit vormvoorschrift voorbij gaan.
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende, hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Eiseres is sinds 6 september 2001 in dienst bij verweerder als hoofd klantencontacten binnen de afdeling algemene zaken. In de periode van 16 juli 2004 tot 21 februari 2005 heeft eiseres verlof genoten als gevolg van zwangerschap en bevalling. In november 2004 heeft de leidinggevende van eiseres haar op de hoogte gebracht van kritiek van medewerkers op haar functioneren. Naar aanleiding van een time-out en de daaruit ontstane situatie heeft eiseres zich op 20 oktober 2005 ziek gemeld. Bij schrijven van 14 oktober 2006 heeft eiseres een klacht ingediend wegens intimiderend gedrag, machtsmisbruik en ongewenste omgangsvormen door haar leidinggevende.
De Klachtencommissie seksuele intimidatie, discriminatie en pesten op het werk (hierna: de klachtencommissie) heeft vervolgens een onderzoek ingesteld. De klachtencommissie heeft op 8 februari 2007 haar advies aangeboden aan verweerder. Ten aanzien van de klachten tegen de leidinggevende komt de klachtencommissie tot de conclusie, dat het gedrag van de leidinggevende niet valt aan te merken als pesten op het werk. De klacht dient derhalve ongegrond te worden verklaard, aldus de klachtencommissie. Bij besluit van 28 februari 2007 heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de klachtencommissie, de klacht van eiseres ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het oordeel over de klacht niet is gericht op rechtsgevolg. Niet is beoogd wijzigingen in de verhouding tussen eiseres en verweerder teweeg te brengen, het is dan ook geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb.
Eiseres heeft aangevoerd dat het bezwaar op onjuiste gronden niet-ontvankelijk is verklaard. Immers, een rechtsoordeel is soms een besluit in de zin van de Awb, ook al steunt een dergelijk oordeel niet op een wettelijke bevoegdheid en is evenmin duidelijk wat de exacte rechtsgevolgen van dit oordeel zijn. Daarnaast stelt verweerder in het verweerschrift, in afwijking van de Klachtenregeling seksuele intimidatie, discriminatie en pesten op het werk, ten onrechte dat hoofdstuk 9 van de Awb van toepassing is. Ten slotte heeft eiseres schadevergoeding gevorderd.
De rechtbank overweegt als volgt.
In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publieke rechtshandeling.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (PG Awb I, p. 155) blijkt dat met het begrip rechtshandeling bedoeld is een handeling die is gericht op rechtsgevolg. Daarvan is sprake indien is beoogd om een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel om de juridische status van een persoon of zaak vast te stellen. Het is derhalve niet voldoende dat uit een bepaald besluit rechtsgevolgen voortvloeien; de rechtshandeling moet ook zijn gericht op het ontstaan van die rechtsgevolgen. Ook blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming dat door het gebruik van het woord rechtshandeling duidelijk wordt dat het moet gaan om een handeling die is gericht op externe rechtsgevolgen. Daarmee wordt bedoeld, dat de beslissing moet zijn gericht op rechtsgevolgen die ontstaan in de verhouding van het bestuursorgaan tot anderen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel, dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd, dat het besluit van 28 februari 2007 niet op rechtsgevolg is gericht en derhalve geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, waartegen op grond van de Awb rechtsgeldig bezwaar kan worden gemaakt.
Aangezien door het besluit van 28 februari 2007 geen wijziging teweeg is gebracht in de rechtsverhouding tussen verweerder en eiseres, moet worden geoordeeld dat dit besluit het ingevolge artikel 1:3 van Pro de Awb vereiste rechtsgevolg ontbeert. Dit betekent dat verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 28 februari 2007 terecht, niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het voorgaande houdt voorts in dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Waar het bezwaar (terecht) niet-ontvankelijk is verklaard, kan de rechtbank ook geen oordeel vellen over de door eiseres inhoudelijk aangevoerde beroepsgronden tegen de inhoudelijke behandeling van haar klacht door de klachtencommissie.
De rechtbank overweegt voorts dat, nu het besluit van 28 februari 2007 niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb kan worden beschouwd, de klachtenregeling van verweerder eiseres ten onrechte heeft gewezen op de mogelijkheid om tegen dat besluit bezwaar te maken. Een en ander heeft er onder meer toe geleid, dat eiseres kosten heeft moeten maken in verband met het voeren van deze beroepsprocedure. De rechtbank acht het redelijk, dat verweerder in geval deze kosten aan eiseres vergoedt. De proceskosten worden bepaald op € 322,00 (1 punt voor het opstellen van het beroepschrift x € 322,00 x factor 1) als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarnaast dient het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te worden vergoed.
3. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke kosten zijn begroot op een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdentweeëntwintig euro), door de Stichting Waternet te betalen aan eiseres;
- bepaalt dat de Stichting Waternet het betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderdendrieënveertig euro) aan eiseres vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan op 7 november 2008 door mr. C.J. Polak, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. V.M. Behrens, griffier,
en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.
de griffier, de rechter,
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.
Afschrift verzonden op:
DOC: C