ECLI:NL:RBAMS:2009:BH0778
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Onverbindverklaring artikel 29a Wet op de Jeugdzorg wegens strijd met artikel 5 EVRM
De rechtbank Amsterdam behandelde een zaak waarin het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (BJAA) verzocht om een machtiging voor voortzetting van gesloten jeugdzorg voor E, die meerderjarig was geworden. Het geschil betrof de vraag of artikel 29a, eerste lid, Wet op de Jeugdzorg, dat gedwongen behandeling mogelijk maakt tot 21 jaar, verenigbaar is met artikel 5 EVRM Pro.
De verdediging voerde aan dat voortzetting van vrijheidsbeneming na 18 jaar in strijd is met het EVRM, met name artikel 5, eerste lid, onder d, dat vrijheidsbeneming van minderjarigen voor opvoedkundige doeleinden toestaat, maar niet van meerderjarigen. De rechtbank nam het standpunt van de Raad van State en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over, die stellen dat vrijheidsbeneming op opvoedkundige gronden niet toelaatbaar is voor meerderjarigen.
Het BJAA stelde dat nazorg en behandeling na 18 jaar noodzakelijk zijn en verwees naar de wetsgeschiedenis en maatschappelijke behoeften. De rechtbank oordeelde echter dat dit argument geen grondslag biedt voor vrijheidsbeneming en dat er minder ingrijpende alternatieven zijn voor nazorg.
De rechtbank concludeerde dat artikel 29a, eerste lid, Wet op de Jeugdzorg onverbindend is wegens strijd met artikel 5 EVRM Pro en wees het verzoek om machtiging af. De beschikking van de enkelvoudige kinderrechter werd herzien en het verzoek afgewezen.
Uitkomst: Artikel 29a, eerste lid, Wet op de Jeugdzorg is onverbindend wegens strijd met artikel 5 EVRM en het verzoek tot voortzetting van gesloten jeugdzorg na meerderjarigheid wordt afgewezen.