ECLI:NL:RBAMS:2009:BH5631
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vernietigbaarheid lease-overeenkomst wegens ontbreken schriftelijke toestemming echtgenote
De zaak betreft een lease-overeenkomst gesloten door de echtgenoot met Dexia, waarbij de echtgenote niet mede-ondertekende en geen schriftelijke toestemming gaf. De echtgenote vordert vernietiging van de overeenkomst op grond van artikel 1:88 juncto Pro 1:89 BW, omdat zij pas in maart 2003 van de overeenkomst op de hoogte raakte. Dexia stelt dat zij eerder bekend was en beroept zich op verjaring.
De rechtbank kwalificeert de lease-overeenkomst als huurkoop en bevestigt dat schriftelijke toestemming vereist is. De kantonrechter acht de omstandigheden aangevoerd door Dexia onvoldoende om te concluderen dat de echtgenote al in 2000 of 2001 bekend was met de overeenkomst, mede vanwege de betwisting van haar handtekening op het aanmeldingsformulier. De enkele ondertekening van dat formulier wordt niet gelijkgesteld aan schriftelijke toestemming.
Omdat Dexia zich beroept op verjaring, rust op haar de bewijslast dat de echtgenote eerder op de hoogte was. De rechtbank verstrekt Dexia een bewijsopdracht en bepaalt dat de zaak zal worden voortgezet met getuigenverhoor en bewijslevering. Indien Dexia niet slaagt in het bewijs, wordt aangenomen dat de vernietiging tijdig is ingeroepen en dient Dexia betalingen te restitueren.
Uitkomst: De rechtbank wijst een bewijsopdracht toe aan Dexia om te bewijzen dat eisende partij eerder op de hoogte was van de lease-overeenkomst; bij onvoldoende bewijs wordt de vernietiging van de overeenkomst geacht tijdig te zijn ingeroepen.