ECLI:NL:RBAMS:2009:BH6081
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling vergoedingsplicht bank wegens tekortschieten in zorgplicht bij vermogensbeheer
Eiser sloot in 1998 een vermogensbeheerovereenkomst met de rechtsvoorgangster van Drie Koningen, waarna het vermogen vanaf 1 januari 2000 door PDV werd beheerd. Na een wijziging in de samenstelling van de portefeuille na 1 november 2000, waarbij het risico aanzienlijk toenam, liep het vermogen sterk terug. Het gerechtshof Amsterdam oordeelde reeds dat PDV toerekenbaar tekort was geschoten in haar zorgplicht.
In deze procedure werd de omvang van de vergoedingsplicht vastgesteld door vergelijking van de feitelijke waardeontwikkeling van het beheerde vermogen met een denkbeeldige waardeontwikkeling bij uitblijven van het tekortschieten. Omdat niet met zekerheid kon worden vastgesteld welke transacties zouden zijn verricht zonder tekortkoming, werd de schade geschat op basis van een ongewijzigde portefeuille.
De rechtbank concludeerde dat de schade €442.912,75 bedroeg, inclusief een resterende schuld aan Effectenbank Stroeve en kosten voor een rapportage. Drie Koningen voerde vermindering van haar vergoedingsplicht aan wegens eigen schuld van eiser, maar de rechtbank oordeelde dat de ernst van het tekortschieten van Drie Koningen zwaarder woog en dat de vergoedingsplicht volledig in stand bleef.
De rechtbank veroordeelde Drie Koningen tot betaling van het genoemde bedrag, vermeerderd met wettelijke rente, en in de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Drie Koningen wordt veroordeeld tot betaling van €442.912,75 schadevergoeding plus wettelijke rente en proceskosten.