ECLI:NL:RBAMS:2009:BH7442

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
9.1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen kantonrechter wegens vermeende vooringenomenheid

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen een kantonrechter op grond van vermeende vooringenomenheid en partijdigheid tijdens een comparitie. Verzoeker stelde dat de rechter niet objectief was, hem onvoldoende gelegenheid gaf om te reageren en een voorlopige visie op de zaak had gegeven die nadelig voor hem was.

De rechter had tijdens de zitting aangegeven expert te zijn in communicatie en vond dat verzoeker niet goed had gecommuniceerd. Ook sprak de rechter zich krachtig uit over de zwakte van het verweer van verzoeker en de mogelijkheid tot schikking. Verzoeker voelde zich hierdoor benadeeld en meende dat de rechter niet volledig op de hoogte was van het dossier.

De rechtbank overwoog dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn die het tegendeel bewijzen. Het geven van een voorlopige visie op basis van het dossier en de zitting schaadt de onpartijdigheid niet. De rechtbank vond de aangevoerde omstandigheden onvoldoende om het wrakingsverzoek toe te wijzen.

Het verzoek werd daarom afgewezen en de procedure werd voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter wordt afgewezen wegens gebrek aan zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Beschikking op het op 7 januari 2009 ingekomen en onder rekestnummer 09.10 ingeschreven verzoek van:
[ ],
wonende te [ ],
verzoeker,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. [X], kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.
Verloop van de procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:
? het verzoekschrift d.d. 5 januari 2009, ingekomen op 7 januari 2009,
? de aantekeningen van de griffier van een door de rechter gehouden comparitie van 22 december 2008, inzake het hierna onder 1a) te noemen geschil.
De rechter heeft medegedeeld niet in de wraking te berusten. Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 27 januari 2009 in aanwezigheid van verzoeker en de rechter.
1. Gronden van de beslissing
Van de volgende feiten wordt uitgegaan.
a) Verzoeker is gedaagde partij in een bij de rechter onder nummer [ ] aanhangige zaak.
b) Op 22 december 2008 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden.
c) De rechter heeft de uitspraak bepaald op 15 januari 2009.
d) Na de comparitie heeft verzoeker een brief geschreven aan de rechter om zijn onvrede over de gang van zaken op de zitting te uiten. Deze brief is aan verzoeker teruggestuurd, omdat de zaak voor vonnis stond.
2. Het verzoek en de gronden daarvan
Het verzoek tot wraking is gebaseerd op de navolgende zakelijk weergegeven gronden:
2.1 De rechter heeft op de zitting blijkt gegeven van vooringenomenheid. Hij was niet objectief en hij was partijdig. De rechter heef op de zitting gezegd: ‘Ik ben expert in communicatie, ik ben daar zeer in getraind en u meneer [ ] heeft niet gecommuniceerd”. Dit is niet juist, aldus verzoeker, maar toen hij dat wilde toelichten, heeft de rechter hem daartoe niet genoeg in de gelegenheid gesteld, want de rechter onderbrak hem met de woorden: “U begrijpt mij niet, ik doe enorm mijn best maar het komt niet over”. Verzoeker kreeg hierdoor de indruk dat de rechter niet volledig op de hoogte was van het dossier. De rechter ging eraan voorbij dat verzoeker hem wel begreep, maar hij wilde niet luisteren.
2.2 De rechter was partijdig. Dat blijkt uit opmerkingen die hij op de zitting heeft gemaakt als: "U heeft wel een erg zwakke zaak, als ik tot een vonnis moet komen zou ik u veroordelen” en “dat is wel een heel goed punt van de tegenpartij".
2.3 De rechter was niet objectief. Dat blijkt uit opmerkingen als: "Ik ben niet boos op u". Het heeft geen zin meer het komt niet over, ik sluit deze zeer onbevredigende zitting af”.
3. De reactie van de rechter
3.1 De rechter heeft aangevoerd dat hij het betreurt dat verzoeker de zitting zo heeft ervaren. Hij heeft verzoeker geen verwijten gemaakt en heeft dat ook niet zo bedoeld, als hij enkele van de door verzoeker geciteerde uitlatingen al zo heeft gezegd. Wel heeft hij over communicatie gesproken en het gebrek daaraan tussen partijen.
3.2 Op de zitting heeft hij een voorlopig oordeel gegeven over de zaak, omdat hij van oordeel was dat er wel een koopovereenkomst tussen partijen was tot stand gekomen en hij het verweer daartegen van verzoeker zwak vond. Bovendien wilde de wederpartij wel schikken. De rechter acht zich tot het geven van een dergelijk voorlopig oordeel ook bevoegd.
4. De beoordeling van het verzoek
4.1. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Aan de hand van deze maatstaf zal de rechtbank het verzoek beoordelen.
4.2 Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door verzoeker aangevoerde omstandigheden niet van dien aard dat zij een aanwijzing vormen voor het oordeel dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt dan wel dat hij de schijn van partijdigheid op zich heeft geladen. Niet enkel de visie van verzoeker is beslissend; de vrees dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt, moet objectief gerechtvaardigd zijn.
4.3 Naar aanleiding van het onder 3.2 weergegevene achtte de rechter het in het belang van verzoeker dat hij gebruik zou maken van de mogelijkheid tot schikken. Hij heeft geprobeerd verzoeker van dat belang te overtuigen en heeft zich daarbij wat krachtiger uitgesproken, ook al omdat verzoeker geen gemachtigde had. Het staat een rechter vrij op basis van het aan hem voorgelegde dossier en hetgeen ter zitting door partijen naar voren is gebracht tijdens een mondelinge behandeling, een voorlopige visie op de zaak te geven. Daardoor lijdt de rechterlijke onpartijdigheid nog geen schade. In het bijzonder kan daaruit niet worden afgeleid dat de rechter niet meer onpartijdig zal zijn.
4.4 Nu feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden zijn gesteld noch gebleken, dient het wrakingsverzoek als ongegrond te worden afgewezen.
5. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
B E S L I S S I N G :
De rechtbank:
- wijst het verzoek tot wraking af;
- bepaalt dat de zaak met het rolnummer [ ] wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek.
Aldus gegeven door mrs. G.H. Marcus, C. von Meyenfeldt en A.J. Beukenhorst en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.