DE BEOORDELING
11. De redelijkheid van het ontslag dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. In de eerste plaats dient acht te worden geslagen op de in de ontslagbrief aangevoerde gronden. Deze zijn als volgt samen te vatten:
a. [eiser] heeft in de periode van 13 mei tot 10 juni 2006 drie maal een passende functie geweigerd,
b. [eiser] heeft op 13 juni 2008 voorts een tijdelijke functie geweigerd,
c. [eiser] is op 17 juni 2008 niet verschenen op een bespreking met zijn leidinggevenden, waar hij zich voor deze weigeringen had moeten verantwoorden en
d. [eiser] heeft het bericht van de bedrijfsarts dat hij per 18 juni 2008 arbeidsgeschikt was, genegeerd.
[eiser] heeft deze verwijten gemotiveerd bestreden.
Ad a: drie functies geweigerd
12. De functie Verenigingsassistent bij de Stichting Sportbeheer heeft [eiser] op twee gronden afgewezen. De bezigheden in die functie – meesporten en fluiten – beschouwt hij niet als inhoudelijk werk. En verder zou die functie vanwege zijn rugklachten voor hem niet passend zijn.
Pantar heeft hiertegen aangevoerd dat de functie aan de rugklachten van [eiser] aangepast zou worden.
De kantonrechter oordeelt dat [eiser] deze functie als niet passend heeft mogen afwijzen. Uit de stukken blijkt immers dat hij al jaren met serieuze rugproblemen te kampen heeft. Hoe de functie daaraan zou zijn aan te passen, is niet duidelijk. Niet gesteld of gebleken is dat Pantar daarvoor destijds concrete voorstellen aan [eiser] heeft gedaan.
13. Pantar heeft aan [eiser] ook de functie Baliemedewerker DWI [naam 1] aangeboden. Deze heeft hij afgewezen vanwege het eerdere geschil met zijn toenmalig leidinggevende bij DWI. Dat zou zijn functioneren kunnen belemmeren.
Die redengeving overtuigt niet. DWI is een relatief grote organisatie en de aangeboden functie betrof een andere vestiging dan waar hij voordien had gewerkt. Niet gesteld of gebleken is dat [eiser] in de aangeboden functie iets met zijn voormalig leidinggevende te maken zou krijgen.
14. Voorts is gesproken over de functie van Bedrijfsleider [naam 2] Horeca. [eiser] heeft destijds verklaard dat hij geen ervaring en affiniteit met horecawerk had. Omdat dat wel een voorwaarde was voor het vervullen van die functie, is hij daarin niet aangesteld.
Niet gesteld of gebleken is dat [eiser] met zijn verklaring onwaarheid heeft gesproken. [eiser] kan niet worden verweten dat hij geen affiniteit met horecawerk heeft, noch dat hij dat aan [naam 2] kenbaar heeft gemaakt.
Een en ander impliceert dat Pantar het feit dat [eiser] niet in de functie bij [naam 2] is aangesteld, ten onrechte tot een ontslaggrond heeft gemaakt.
Ad b: tijdelijke functie afgewezen
15. Nadat enige tijd was verstreken zonder dat [eiser] in een nieuwe functie kon worden geplaatst, heeft Pantar hem op 10 juni 2008 aangemeld voor een tijdelijke werkplek bij het Cluster Handel & Industrie van Pantar zelf. [eiser] zou worden ingezet bij de assemblage van lichtarmaturen.
16. Die tijdelijke plaatsing heeft [eiser] niet aanvaard. Zijn argument was dat het daar een sociale werkplaats betrof, als bedoeld in de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) en dat voor hem geen WSW-indicatie was afgegeven. Ook achtte hij het werk beneden zijn niveau.