ECLI:NL:RBAMS:2009:BH7999
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- F.G. Bauduin
- G.M. van Dijk
- A.E.J.M. Gielen
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na veroordeling voor medeplegen afpersing
De rechtbank Amsterdam behandelde een ontnemingszaak tegen verdachte, die eerder veroordeeld was voor medeplegen van afpersing. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot een bedrag van €1.218.150, bestaande uit diverse afgedwongen geldbedragen.
De rechtbank stelde vast dat het bedrag van €95.150 niet ontnomen kon worden omdat dit voortkwam uit een zakelijk geschil en niet uit de afpersing. Het overige bedrag van €1.123.000 werd wel als wederrechtelijk verkregen voordeel aangemerkt en ontnomen.
De verdediging voerde aan dat ontneming van het bedrag van €95.150 een schending van het EVRM zou opleveren, verwijzend naar jurisprudentie van het EHRM. De rechtbank ging hier niet in mee en baseerde haar oordeel op het financieel rapport en eerdere strafvonnis. De verplichting tot betaling aan de Staat werd opgelegd zonder matiging.
De rechtbank wees erop dat de vordering van de benadeelde partij in de strafzaak hoofdelijke aansprakelijkheid bevatte, maar dat de ontneming niet werd aangepast zolang het vonnis niet onherroepelijk was. Verdachte kan via de strafrechter verzoeken tot wijziging van het bedrag indien restitutie heeft plaatsgevonden.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam op 18 maart 2009, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld en de betaling aan de Staat werd opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank legt aan verdachte de verplichting op tot betaling van €1.123.000 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat.