ECLI:NL:RBAMS:2009:BH8000
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- F.G. Bauduin
- G.M. van Dijk
- A.E.J.M. Gielen
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na afpersing tot €1.123.000
De rechtbank Amsterdam behandelde een ontnemingszaak tegen verdachte, die eerder veroordeeld was voor medeplegen van afpersing. De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot een maximumbedrag van €1.218.150, bestaande uit diverse betalingen gedaan door het slachtoffer aan de verdachten.
De rechtbank stelde vast dat het bedrag van €95.150 niet ontnomen kon worden omdat dit voortkwam uit een zakelijk geschil tussen de verdachten en de familie van het slachtoffer, en niet als gevolg van bedreigingen. De overige bedragen, samen €1.123.000, werden wel als wederrechtelijk verkregen voordeel aangemerkt.
De verdediging voerde aan dat ontneming van het bedrag van €95.150 een schending van het EVRM zou betekenen, verwijzend naar jurisprudentie van het EHRM. De rechtbank verwierp dit standpunt en oordeelde dat ontneming alleen kan plaatsvinden op basis van het vermoeden dat het bedrag is verkregen door een strafbaar feit.
De rechtbank besloot de ontnemingsvordering toe te wijzen tot het bedrag van €1.123.000 en legde aan verdachte de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen, behoudens reeds gedane betalingen. De rechtbank nam geen gebruik van de mogelijkheid om rekening te houden met de niet-onherroepelijke vordering van de benadeelde partij, verwijzend naar de mogelijkheid voor de veroordeelde om via artikel 577b Sv een verzoek tot wijziging in te dienen.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam op 18 maart 2009.
Uitkomst: De rechtbank legt aan verdachte de verplichting op tot betaling van €1.123.000 aan wederrechtelijk verkregen voordeel.