ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ3924

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 09-1184 WWB
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.J. Polak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:40 AwbArt. 3:41 AwbArt. 8:75 AwbArt. 54 lid 3 WWBArt. 58 lid 1 aanhef en onder a WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening bijstandsuitkering niet in werking door ontbrekende bekendmaking

Eiser werd geconfronteerd met een terugvordering van €53.434,83 wegens vermeende verzwegen samenwoning van zijn ex-echtgenote, die bijstand ontving. Verweerder had op grond van artikel 58 WWB Pro deze terugvordering ingesteld, gebaseerd op een herzieningsbesluit van 2 september 2008.

De rechtbank oordeelde dat dit herzieningsbesluit niet op juiste wijze aan de ex-echtgenote bekend was gemaakt, zoals vereist volgens artikel 3:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierdoor was het besluit niet in werking getreden conform artikel 3:40 Awb Pro, waardoor de terugvordering geen rechtsgrond had.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder een nieuwe beslissing moet nemen met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de terugvordering omdat het herzieningsbesluit niet rechtsgeldig is bekendgemaakt en niet in werking is getreden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Sector Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 09/1184 WWB
uitspraak van de enkelvoudige kamer
in de zaak tussen:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
gemachtigde: mr. I. Roos,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
verweerder,
gemachtigde: mr. S.S. Kisoentewari.
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 september 2008 heeft verweerder van eiser de ten onrechte door zijn ex-vrouw – mevrouw [ex-vrouw eiser] (hierna: [ex-vrouw eiser]) – ontvangen bijstand ter hoogte van
€ 53.434,83 teruggevorderd.
Bij besluit van 10 februari 2009 heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard (het bestreden besluit).
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2009. Eiser is verschenen bij mr. S. Guman (een kantoorgenoot van eisers advocaat) en verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigde.
2. Overwegingen
2.1. Bij besluit van 2 september 2008 heeft verweerder op grond van artikel 54, derde lid, van de Wet Werk en Bijstand (WWB) het recht op bijstand van [ex-vrouw eiser] herzien over de periode 8 oktober 2002 tot 1 december 2006, omdat zij heeft nagelaten aan verweerder mede te delen dat zij en eiser over voornoemde periode een gezamenlijke huishouding voerden.
2.2. Verweerder heeft bij besluit van 4 september 2008 op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB in samenhang met artikel 59, tweede lid, van de WWB van eiser een bedrag ter hoogte van € 53.434,83 teruggevorderd.
2.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover het de hoogte van het maandelijkse aflossingsbedrag betreft en voor het overige ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.
2.4. De rechtbank overweegt als volgt.
2.5. Ingevolge artikel 3:40 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt.
2.6. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten door toezending of uitreiking aan de belanghebbende(n), onder wie begrepen de aanvrager. Het tweede lid bepaalt dat de bekendmaking van het besluit op een andere geschikte wijze geschiedt, indien zij niet kan geschieden op de wijze als voorzien in het eerste lid.
2.7. Ter zitting heeft gemachtigde van eiser betoogd dat het herzieningsbesluit van
2 september 2008 niet in werking is getreden, omdat dit besluit niet op juiste wijze aan [ex-vrouw eiser] is bekendgemaakt. Dit betoog slaagt. De rechtbank overweegt dat de bekendmaking aan [ex-vrouw eiser] niet op de wijze als voorzien in artikel 3:41 van Pro de Awb is geschied. Nu het besluit niet is bekendgemaakt, is het op grond van artikel 3:40 van Pro de Awb niet in werking getreden. Omdat verweerder de terugvordering heeft gebaseerd op artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB en deze bepaling geen zelfstandige terugvorderingsgrond inhoudt, is een voorafgaand besluit tot intrekking of herziening aangewezen. Naar het oordeel van de rechtbank bestond geen deugdelijke grond om terug te vorderen, nu het herzieningsbesluit zoals gezegd niet in werking is getreden.
2.8. Het beroep is dan ook gegrond.
2.9. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41,- aan hem te vergoeden. De rechtbank ziet voorts aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb en verweerder in de proceskosten van eisers te veroordelen, welke kosten onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair worden begroot op een bedrag van € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x factor 1 x € 322,-).
3. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing neemt op de bezwaren van eiser met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan eiser het door hem betaalde griffierecht van
€ 41,- (zegge: eenenveertig euro) vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,- (zegge: zeshonderdenvierenveertig euro), te betalen door de gemeente Amsterdam aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Polak, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. C.J. Baijens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2009.
De griffier, De rechter,
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.
Afschrift verzonden op:
DOC: B
SB