ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ7365
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verdeling nalatenschap en inbreng schenkingen bij testamentaire vorderingen
Deze civiele bodemzaak betreft een geschil over de verdeling van het resterende deel van een nalatenschap en de verplichting tot inbreng van schenkingen volgens het oude artikel 4:1132 BW Pro. De eisers vorderen een verklaring van recht en betaling van bedragen uit hoofde van het testament van erflater, waarbij de verjaring van vorderingen en de geldigheid van een onderhandse akte centraal staan.
De rechtbank stelt vast dat de nalatenschap bestaat uit roerende zaken, banktegoeden en vorderingen op een schuldenaar, waaronder een hypothecaire lening en inkomensoverheveling. De verjaring van sommige vorderingen wordt betwist, waarbij de rechtbank oordeelt dat de vordering ter zake van inkomensoverheveling niet toewijsbaar is wegens het ontbreken van een inbrengplicht. De hypothecaire lening is verjaard en de vordering wordt afgewezen.
Verder is er discussie over de eigendom van bankrekeningen, waaronder een Zwitserse rekening, en de betekenis van een onderhandse akte waarin een schuld wordt erkend. De rechtbank oordeelt dat de akte vrije bewijskracht heeft en dat bewijslevering door partijen noodzakelijk is. De zaak wordt aangehouden voor nader bewijs, waaronder getuigenverhoor, en verdere stukken moeten worden overgelegd.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af voor de hypothecaire lening en de inkomensoverheveling en draagt partijen op bewijs te leveren over overige vorderingen; verdere beslissing wordt aangehouden.