ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ9655
Rechtbank Amsterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Beslaglegging en onrechtmatige uitlatingen tussen advocatenkantoor en vastgoedbedrijf
In deze zaak staan twee partijen, een advocatenkantoor en een vastgoedbedrijf, tegenover elkaar vanwege wederzijdse onrechtmatige uitlatingen in de media die tot beslagleggingen hebben geleid. Het advocatenkantoor vordert opheffing van het beslag dat het vastgoedbedrijf heeft gelegd, maar deze vordering wordt afgewezen omdat aannemelijk is dat het vastgoedbedrijf schade heeft geleden door de uitlatingen van het advocatenkantoor.
Het vastgoedbedrijf heeft een tegenvordering ingesteld tot opheffing van het beslag dat het advocatenkantoor heeft gelegd. Deze tegenvordering wordt toegewezen omdat niet aannemelijk is dat het advocatenkantoor schade heeft geleden door de uitlatingen van het vastgoedbedrijf. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat de uitlatingen van het advocatenkantoor, gedaan door een advocaat, meer gewicht hebben en dat reputatieschade in de vastgoedsector snel optreedt.
De rechtbank overweegt dat het beslag van het vastgoedbedrijf terecht is gelegd en dat het beslag van het advocatenkantoor summierlijk ondeugdelijk is. Ook wordt vastgesteld dat het advocatenkantoor en de betrokken advocaat hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de uitlatingen. De vorderingen tot opheffing van de beslagen worden dan ook deels toegewezen en deels afgewezen, en de proceskosten worden aan het advocatenkantoor en de advocaat opgelegd.
Uitkomst: Het beslag van het vastgoedbedrijf blijft gehandhaafd en het beslag van het advocatenkantoor wordt opgeheven wegens onvoldoende aannemelijkheid van schade.