ECLI:NL:RBAMS:2009:BK1688

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
13/846008-08
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 138 SvArt. 404 SvArt. 406 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing van strafzaak tegen gemeente Amsterdam wegens lopend cassatieberoep

De rechtbank Amsterdam heeft op 10 april 2009 besloten de strafzaak tegen de gemeente Amsterdam aan te houden. Dit besluit volgt op een complex proces over de ontvankelijkheid van de officier van justitie met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde.

Eerder had de rechtbank het primair tenlastegelegde verworpen wegens ontijdigheid en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard voor het subsidiair tenlastegelegde. Het gerechtshof Amsterdam verklaarde de officier van justitie vervolgens niet-ontvankelijk in hoger beroep en oordeelde dat de rechtbank niet bevoegd was om over het subsidiaire deel te beslissen voordat over het primaire deel was beslist.

De gemeente is tegen dit arrest in cassatie gegaan, maar de middelen zijn nog niet geformuleerd en er is geen zicht op een beslissing. De rechtbank oordeelt dat de strafzaak geschorst moet worden zolang het cassatieberoep loopt, omdat de behandeling van een deel van een gelede tenlastelegging niet kan worden voortgezet zonder onherroepelijke beslissing over het andere deel.

De officier van justitie heeft erkend dat de zaak geschorst is en heeft de gemeente niet opgeroepen voor de regiezitting van 2 april 2009, waar beide partijen wel verschenen en hun standpunten hebben toegelicht. De rechtbank bepaalt dat de zaak voor onbepaalde tijd wordt aangehouden totdat het hoger beroep onherroepelijk is geworden.

Uitkomst: De strafzaak tegen de gemeente Amsterdam wordt geschorst totdat het hoger beroep onherroepelijk is beslist.

Uitspraak

Bijlage
Beslissing van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen de Gemeente Amsterdam (13/846008-08), genomen naar aanleiding van hetgeen is voorgevallen op de regiezitting van 2 april 2009 en uitgesproken op de terechtzitting van 10 april juli 2009.
Bij beslissing van 2 juli 2008 - welke beslissing als bijlage is aangehecht aan het proces-verbaal van die zittingsdag en daarvan deel uitmaakt - heeft de rechtbank beslist op een preliminair verweer van de verdachte (hierna ook wel de gemeente) strekkende tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Ten aanzien van het primair tenlastegeleg-de heeft de rechtbank het verweer ontijdig bevonden. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de rechtbank de officier van justitie niet ontvankelijk verklaard.
De officier van justitie is van deze laatste beslissing in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam. Bij arrest van 19 december 2008 (LJN BG8037) heeft het ge-rechtshof de officier van justitie in dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het gerechtshof heeft onder meer overwogen dat sprake was van een gelede tenlastelegging, zodat de rechtbank niet bevoegd was te oordelen over het subsidiair tenlastegelegde, voordat over het primair tenlastegelegde was beslist, dat de beslissing van de rechtbank over het subsidiair tenlastegelegde daarom als non-existent dient te worden beschouwd en dat de strafzaak daardoor weer in volle omvang door de rechtbank dient te worden beoordeeld.
Van de beslissing van het gerechtshof is de gemeente in cassatie gegaan. De middelen die aan die cassatie ten grondslag liggen, zijn nog niet geformuleerd en er is thans nog geen zicht op wanneer op het cassatieberoep zal zijn beslist.
Ter (regie)zitting van 4 juli 2008 heeft de rechtbank bepaald dat een nadere regiezitting zou plaatsvinden, welke zitting nadien en nader is vastgesteld op 2 april 2009.
Bij brief van 25 maart 2009 heeft de raadsman van de gemeente de rechtbank aangekondigd ter zitting een verzoek te zullen doen aan de rechtbank om een beslissing te nemen over de vraag of de verhoren die - in het kader van een verwijzing door de rechtbank op 4 juli 2008 - plaatsvinden bij de rechter-commissaris mede betrekking (dienen te) heb-ben op hetgeen subsidiair ten laste is gelegd.
De officier van justitie heeft de rechtbank voorafgaande aan de zitting laten weten dat hij van oordeel is, dat door het ingestelde cassatieberoep de behandeling van de straf-zaak is geschorst, zodat hij de gemeente niet heeft opgeroepen voor de zitting van 2 april 2009. Om de zaak niet nodeloos gecompliceerd te maken heeft hij erin toegestemd ter regiezitting van 2 april 2009 te verschijnen, op welke zitting ook de (vertegenwoordiger van de) gemeente vrijwillig is verschenen. Op die zitting is zowel door de officier van justitie als de verdediging het woord gevoerd. De officier van justitie heeft zijn standpunt herhaald dat door het cassatieberoep deze zaak thans in zijn geheel bij de Hoge Raad aanhangig is, zodat de rechtbank in dit stadium niet bevoegd is. Namens de gemeente is aangevoerd dat de beslissing van het gerechtshof slechts inhoudt dat de officier van justitie in zijn hoger beroep niet ontvankelijk is verklaard en dat aan de over-wegingen van het gerechtshof die niet zijn vervat in het dictum, geen betekenis toekomt. De rechtbank dient derhalve voort te gaan op de weg die zij is ingeslagen en de behandeling voort te zetten, alleen met betrekking tot het primair ten laste gelegde.
Aan de rechtbank is thans te beoordelen wat de status van de onderhavige strafzaak is, gegeven de feiten zoals hiervoor weergegeven. De vraag die moet worden beantwoord is of door het instellen van een rechtsmiddel de behandeling van de zaak is geschorst.
De officier van justitie heeft blijkens de akte rechtsmiddel op 11 juli 2008 beroep ingesteld tegen het eindvonnis van 2 juli 2008, voor zover het betreft zijn niet-ontvankelijkverklaring met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde.
De beslissing van de rechtbank dat de officier van justitie niet kan worden ontvangen in de vervolging van een verdachte is in beginsel een einduitspraak in de zin van artikel 138 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv). Tegen een als einduitspraak gegeven be-slissing (vonnis) staat voor de officier van justitie op grond van artikel 404 Sv Pro hoger beroep open.
De vraag dient zich echter aan of de beslissing van de rechtbank die niet betrekking heeft op de gehele tenlastelegging, maar slechts op het subsidiaire deel daarvan kan worden aangemerkt als een einduitspraak in de zin van artikel 406 lid 1 Sv Pro, zodat daartegen afzonderlijk hoger beroep heeft opengestaan. Naar het oordeel van de rechtbank moet deze vraag ontkennend worden beantwoord. Immers in het systeem van strafvordering past niet dat de behandeling van een deel van een gelede tenlastelegging wordt voortgezet terwijl over een ander deel van dezelfde tenlastelegging nog niet onherroepelijk is beslist.
Door het instellen van cassatieberoep is de beslissing van het gerechtshof nog niet onherroepelijk. De behandeling van de zaak tegen de gemeente moet dan ook van rechts-wege als geschorst worden aangemerkt, totdat de beslissing in hoger beroep onherroepelijk is.
Het onderzoek in de strafzaak tegen de gemeente zal derhalve voor onbepaalde tijd dienen te worden aangehouden totdat de oorzaak van de schorsing is komen te vervallen.
Beslissing:
Houdt de behandeling van de strafzaak tegen de gemeente aan totdat op het hoger beroep onherroepelijk zal zijn beslist.
Bepaalt dat de officier van justitie te gelegener tijd verdachte zal oproepen op een nader te bepalen terechtzitting.